is toegevoegd aan uw favorieten.

Het keizerlijke Weenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minripr dan geen tijd is het gansche publiek als door de muziek bevangen en wanneer hij gewild had, had die rattenvanger van Weenen het heele voorname gezelschap achter zich aan de groene Glacisweide in kunnen laten dansen”.

Toen Strausz den 15den October 1884 den dag herdacht, waarop hij voor veertig jaar voor het eerst bij Dommayer was opgetreden, sprak hij over de harmonische versmelting van zijn talent met den Weenschen geest en schoof den lof, die hem werd toegezwaaid, bescheidenlijk op zijn vaderstad af.

„Wanneer het waar is, dat ik eenig talent heb, dan dank ik de ontwikkeling daarvan aan mijn vaderstad Weenen, in wier bodem mijn gansche kracht wortelt, in wier lucht de klanken zweven, die mijn oor heeft opgevangen, mijn hart heeft opgenomen, mijn hand heeft neer geschreven; mijn Weenen, de stad van het lied en van het gevoel, die den knaap liefdevol op de been hielp en den rijpen man steeds haar sympathie bleef schenken. Weenen, de stad van de mooie vrouwen, Weenen, het hart van ons prachtig, gezegend Oostenrijk, de gouden stad!”

Zeker was Strausz niet Strausz geworden, de speler van de zinnelijkheid, wanneer hij in Brünn, Olmütz of Triest had gewoond. De groote Weener werkplaats met zijn fijnen, ouden smaak, sleep zijn talent tot wat het geworden is, schonk het dien voornamen en tegelijk dien innigen toon. Maar voor alles dankte Johann Strausz aan zijn vaderstad dien hoorn des overvloeds, die eeuwige bereidheid tot scheppen. En dat was een geschenk van het Weener landschap. De natuur heeft den Weeners den strijd met het landschap bespaard. Weenen is niet op woeste gronden gebouwd zooals Berlijn, het land behoefde niet veroverd te worden. Het gaf zich zonder tegenstand, altijd bereid zich te laten genieten. Die streek