is toegevoegd aan uw favorieten.

Het keizerlijke Weenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan welk wild dier hij mij deed denken, want hij had een zonderlingen, bijna zou ik zeggen dierlijken blik. Opeens wist ik het, Rudolf deed mij aan een wolf denken. — Zou hij even wreed zijn als een wolf?, vroeg ik mij af. Ik keek argwanend naar mijn neef, die zijn vaders gewoonte nadeed om aan zijn knevel te draaien, want Frans-Joseph liet geen vijf minuten voorbij gaan zonder er zich van te overtuigen dat zijn knevel nog op zijn plaats zat”. Ook zijn nichtje viel dus zijn merkwaardige vroegrijpheid en het ietwat unheimische in zijn blik op.

Een merkwaardig dagboek

„Door mijn hoofd gaan alle mogelijke gedachten”, schreef Rudolf toen hij vijftien jaar oud was. „Het ziet er daarbinnen woest uit. Den geheelen dag kookt en woelt het in mijn hersens. Als de eene gedachte er uit gaat, komt de andere er binnen en alle houden ze mij bezig en ieder heeft mij wat anders te zeggen. Den eenen keer zijn het lichte, vroolijke gedachten, den anderen keer duistere vol woede en haat. Ze bestrijden elkaar en daaruit consolideert zich langzaam de waarheid. Waar zal het einde zijn? Zijn we hoogere geesten of zijn we dieren? stamman we van apen af of hebben de menschen steeds naast de apen bestaan als een zelfstandig soort van tweevoeters? Ik zie in, dat ik nooit iets zal weten van wat ik weten wil. Maar één ding is zeker: men moet steeds streven en trachten naar meer. De vooruitgang bestaat niet in het verzamelen van titels en rijkdommen (dat kunnen we overlaten aan hen, die van Christus’ geboorte af him voorvaderen kennen), maar in het voortdurend uitbreiden van onze kennis.

De liefde is zeker het schoonste in het leven van alle organische wezens, het is een gevoel, dat de mensch nog net zoo bezit als het dier. In dit opzicht stemt hij nog geheel met de natuur overeen”.