is toegevoegd aan uw favorieten.

Het keizerlijke Weenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot dusver aan handen en voeten gebonden was geweest, onderworpen aan een strengen arbeid, onder voortdurende, scherpe contröle, plotseling op vrije voeten werd gesteld. Zoo trad kroonprins Rudolf in het leven. Onder zijn opvoeders was er één, die zijn toekomst met bezorgdheid tegemoet zag, die in zijn trekken iets ried van het noodlot, dat hem wachtte. Het was ritmeester Freiherr von Walterskirchen.

„Het portret, dat mij gisteren werd gezonden”, schrijft hij, „toont mij dat gij krachtig en mannelijk zijt geworden, maar toch kan het mij niet geheel bevredigen; ik mis er die frissche, levendige uitdrukking in, die ik van u kende. Die trek om den mond, die mij vroeger al zoo hinderde, is, naar het portret te oordeelen, nog scherper geworden en geeft uw gezicht iets duivelachtigs, dat in ’t geheel niet met uw wezen overeenstemt. Ook ligt er een sombere ernst in uw trekken, die ik tot dusver niet van u kende. Kan het zijn dat in dien korten tijd van uw zelfstandigheid gij het leven reeds met zulk een koelen blik hebt leeren beschouwen? Laat om Godswil uw jeugdillusies niet nu reeds varen, ze vervliegen snel genoeg. Het is uw plicht voor het vervullen van uw zware taak de volle frischheid van uw geest te bewaren. Gij hebt een mooie, gelukkige jeugd achter u. Gij behoeft den beker des levens niet met één teug te ledigen. Geniet met mate en laat uw levensvreugde niet door gevaarlijke speculaties, waarvan ik de sporen eveneens in de oogen van uw portret meen te zien, bederven. Dat gij niet in de draaikolk van het vermaak zult ondergaan, daarvoor waarborgt mij uw verstand en uw streven naar hoogere dingen”.

Den 24sten Juli 1877 werd de prins officieel meerderjarig verklaard en kreeg een eigen hofstaat. Aan het hoofd daarvan werd graaf Bombelles geplaatst, een man, die eertijds tot het huis van aartshertog Ferdinand-Max