is toegevoegd aan uw favorieten.

Het keizerlijke Weenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verontwaardiging, niet alleen in Oostenrijk, maar in de geheele beschaafde wereld door den moordaanslag gewekt, zou aan de uitvoering van zijn voornemen ten goede komen, vooral wanneer van den beginne af de meening werd verkondigd, dat de Servische regeering aansprakelijk moest worden gesteld voor den misdaad. Zoowel de overige ministers als de chef van den generalen staf, Conrad von Hötzendorf, toonden zich bereid tot medewerking. Alleen Frans-Joseph zelf en de minister-president van Hongarije, Tisza, aarzelden. Het was 'de vraag welke houding Duitschland zou aannemen.

„Den vijfden Juli, in den ochtend”, aldus schrijft professor Brugmans in zijn artikel „De oorsprong van den wereldoorlog” (Haagsch Maandblad Mei, Juni, Juli 1934) „kwam er een speciale gemachtigde der Oostenrij ksche regeering, graaf Hoyos, in Berlijn; hij had een eigenhandig schrijven van Keizer Frans-Joseph aan den Duitschen Keizer bij zich en een memorandum over het Servische conflict, den stand van zaken van het oogenblik en de te nemen maatregelen. Hij had eerst in de Wilhelmstrasze een onderhoud met den onder-secretaris van buitenlandsche zaken, von Zimmermann. Intusschen had hij de stukken in handen gesteld van den Oostenrijkschen gezant te Berlijn, graaf Szögyeny, die onmiddellijk een audiëntie bij den Keizer aanvroeg. Nog in den morgen, voor de lunch, ontving de Keizer den gezant in het Neue Palais te Potsdam. Wilhelm II was zeer onder den indruk van den moord op den aartshertog-troonopvolger, met wien hij de laatste jaren in geregelde politieke betrekking had gestaan: hij liet zich zeer scherp over de Serviërs uit en eischte een gestrenge bestraffing van dat „bandier tenvolk”. Hij was dus wel in de beste stemming om den Oostenrijkschen gezant aan te hooren, die hem den keizerlijken brief en het memorandum voorlas en kwam dan ook spoedig tot een besluit. Hij gaf den gezant te