is toegevoegd aan uw favorieten.

In dienst van de liefde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze nu reeds haar geestelijken vader erkent, overlegt ze niet lang. Ze belooft te komen en dan naar Sepperade te gaan. In ieder geval staat ze ook daar in dienst van het missiewerk en is ze in doel en streven één met de bewoners van het missiehuis. En, is ’t niet een gunst, dat ze komen mèg? De Rector vertelt haar, dat ’t nog wel een paar maanden zal aanlopen eer in Sepperade alles in orde is. Uit die woorden leidt Helena af, dat daar dan na die tijd, wel zal begonnen worden met de stichting van de nieuwe Congregatie. In de zekere hoop daarin spoedig te worden opgenomen, reist ze vol dankbare blijdschap naar Kevelaer. Daar hernieuwt ze haar algemene toewijding aan God, en 't heilig missiewerk en brengt, zoals een van haar vriendinnen vertelt, 'n gehele nacht door in gebed, om Jezus en Zijn Heilige Moeder te danken voor de vele genaden en gunsten, die zij ontvangt. Thuisgekomen ziet ze week na week uit naar een bericht van Pater Janssen. Haar geduld wordt weer op de proef gesteld. Daarbij steken de stormen van twijfel en tegenzin en van tegenwerking van de familie opnieuw op. Ten einde raad grijpt Helena naar de pen. Ze vertelt hoe gelukkig ze zich gevoelde, toen ze een paar maanden geleden in het missiehuis was, hoe blij ze in Kevelaer de Lieve Vrouwe heeft bedankt en haar toewijding aan het missiewerk heeft hernieuwd, hoe nu de twijfel en zware bekommernis weer teruggekeerd zijn in haar hart en ze geen uitweg meer weet, omdat ze alleen staat, omdat men thuis haar niet begrijpt en tegenwerkt en zij ook van den biechtvader geen hulp verwachten kan.

„Eerwaarde Vader, zoals 'n kind vlucht naar zijn vader, zo snel ik tot U in mijn nood. Ik bid U, help mij en beschik over mij, zoals de goede God U laat erkennen, dat het voor mij 't beste is. Mag ’k hopen, dat U me spoedig een klein berichtje stuurt? Wanneer zal het mij vergund zijn heel en al voor den goeden God te leven?”

Aan het einde van de brief vertelt ze, dat ze reeds getracht heeft, met haar familie te onderhandelen over haar goederen en dat ze graag de boerderij en landerijen goedkoop aan hen wil afstaan. Ze weet echter niet, of ze hierin handelt overeenkomstig het verlangen van den Rector, en vraagt hem daarom raad. Pas drie weken daarna ontvangt ze op deze brief een