is toegevoegd aan uw favorieten.

In dienst van de liefde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven, dat ze niet komt. Voor de eerste keer in haar leven verklaart Helena, dat zij niet aan zijn bevel gehoorzamen kan. Aan Pater Janssen kèn ze niet schrijven, wat haar niet gemeend is. „Mijnheer Kapelaan, schrijft U zelf,” zegt ze. „Ik zal thuis blijven als het moet, maar er aan meewerken, kan ik niet.”

Nog diezelfde dag gaat een brief naar Steyl. Kapelaan Julich schrijft aan Pater Janssen, dat hij 't er niet mee eens is, dat Helena in het missiehuis intreedt om daar als dienstmaagd te leven. Als dit zo moest wezen, voor een bepaalde tijd zou hij het nog kunnen laten doorgaan, nu echter niet. Wat zij als dienstmaagd in het missiehuis heeft, kan zij tenslotte ook thuis hebben. Alvorens definitief te beslissen, vraagt hij ’n antwoord van den Rector.

Kort daarop komt dit op de Kapelanie te Simmerath aan. Het geeft zo juist weer, hoe Rector Janssen in die dagen tegenover de zaak staat, dat wij het letterlijk laten volgen.

„Ik kan in deze zaak, — hij bedoelt de stichting van een Congregatie, — niet verder gaan, alvorens klaar en duidelijk Gods H. Wil te hebben erkend. Heel zeker kan ik de Congregatie niet opbouwen op geestelijke grondstenen, die 'k nog zou moeten verwachten. Men moet er tenminste zoveel bij elkaar hebben, dat het mogelijk is een goed begin te maken. Ik heb Helena gezegd dat zij, als zij graag ergens anders naar toe gaat, het mij moet zeggen. Voelt zij echter alleen voor ons klooster, dan kan ik haar voorlopig niet anders dan als dienstmaagd opnemen, omdat ’k niet goed vind, iets te beloven, waarvan 'k niet weet of 'k het volbrengen kan. Helena blijft trouwens helemaal vrij, zoals ik ook mijn vrijheid behoud, maar ’k wil haar wel beloven, hetgeen ’k bij mijn weten reeds gedaan heb, dat 'k haar te allen tijde zal helpen, in een ander klooster te komen als zij dit verkiest op voorwaarde, dat zij zich zo gedraagt, dat men haar gerust voor 'n klooster kan aanbevelen. Aan dit laatste twijfel ik echter niet. Ware dit wel het geval, dan zou ik haar ook niet in ons huis opnemen. Tenslotte is Helena als dienstmaagd bij ons toch al in een klooster. Ze mag dus met Jezus in 't H. Sacrament wonen onder één dak en ’k wil voor gebed en kerkbezoek haar graag zoveel tijd geven, als de omstandigheden het veroorloven, omdat ik toch op de eerste plaats wens, dat zij in het geestelijk leven moge vooruitgaan.