is toegevoegd aan uw favorieten.

In dienst van de liefde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hendrina denkt, neen, ze luistert. Ze luistert naar de stem, die al luider in haar spreekt, die geheimzinnig ’n groot verlangen naar „goed zijn”, naar „weldoen” in haar wakker roept. En elke morgen snelt ze in de vroegte naar de kerk en knielt er neer bij den God der liefde. Daar ontvangt ze de aansporing en de kracht tot dat liefdeleven, dat reeds lang in kiem aanwezig, zich ontwikkelen gaat en uitgroeien tot rijke vrucht. Ze wordt de weldoenster van het dorp. Aarzelend, ’n tikje verlegen in 't begin, biedt ze haar vrije ogenblikken aan bij zieken in de buurt. Ze zijn dankbaar voor de liefdevolle verzorging, die ze van haar ontvangen.

Hendrina leert ook de armen kennen. En ’s avonds als het donker is, vindt ze 't best de weg er heen. Ze deelt uit wat ze in voorbije dagen, uit eigen mond heeft gespaard. Maar dit is te weinig. Dan spreekt ze met vader af, dat alles wat ze voortaan met weven méér zal verdienen dan ze tot nu toe deed, voor de armen zal zijn. Weldra is ze bijna geen enkele avond meer thuis. Iedere zieke verlangt naar haar bezoek, iedere arme wil door haar geholpen zijn, omdat ze zo goed van harte is. Geen zusters zijn er, geen Vincentiusvereniging, niemand die 'n deel van haar taak overneemt. Alléén staat ze voor dat grote werk van christelijke naastenliefde. Ze schrikt voor geen moeite of offer terug. De beweegreden van haar weldoen is: „Wat gij den minste der Mijnen doet, doet gij aan Mij!”

Het doel van haar werken: „Het heil van de zielen”. Blij gaat ze ’s morgens op pad en reeds voor ze in de kerk neerknielt voor de eerste H. Mis, is ze in 'n paar huizen geweest. Ze heeft de zieken verzorgd en met een: „tot straks” blij gemaakt. Na de H. Mis loopt ze werkelijk weer even aan en gaat voldaan naar huis met de gedachte, dat de zieken het hunne weer hebben. Thuis wacht het zware dagwerk. In de namiddag verheugt ze zich reeds op de komende avond. Als de schemering valt, is ’t voor haar de tijd en ze komt pas terug als de anderen naar bed zijn. Vaak draagt ze dan een groot pak onder de arm. Wat dat is? Zie er haar mee naar de bijkeuken gaan. Daar staat de wasketel te dampen. Moeder heeft op haar verzoek daarvoor gezorgd. Vlug wordt een tobbe klaar gezet, ’n flinke sop gemaakt en de was begint. „Waar is die was toch van?” vragen de jongens,