is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voldoende aansporing zijn voor ieder goed soldaat om m een noodzakelijken oorlog te overwinnen. Triomftochten zijn ook heel slecht voor de militaire discipline, boldaten worden dronken en bandeloos en besluiten den dag gewoonlijk met het openbreken van de wijnwinkels en het in brand steken van de oliewinkels. Zij beledigen de vrouwen en gedragen zich gewoonlijk alsof Rome de veroverde stad was inplaats van een of ander miserabel blokhuttenkamp in Germanië of een in zand gebouwd dorp in Marokko. Na een triomf, die door een neef van mij, over wien ik u spoedig zal vertellen, gevierd werd, verloren bijna vierhonderd soldaten en vierduizend burgers het leven op een of andere manier — vijf grote blokken woningen in de wijk der prostituees werden platgebrand, driehonderd wijnwinkels geplunderd, om met te spreken van de andere schade. ...

Maar ik was met Cato den Censor bezig. Zijn handboek voor den landbouw en de huishoudkunde was mijn eerste leesboek en iederen keer als ik over een woord struikelde, kreeg ik twee slagen, een om mijn linkeroor voor mijn domheid en een om mijn rechteroor, omdat ik den edelen Cato beledigd had. Ik herinner mij een passage m het boek, dat den kleinzieligen kerel goed tekende: „Het hoofd van een huishouding moet zijn oude ossen en al het gehoornde vee, dat niet sterk is, verkopen, al zijn schapen, die niet sterk zijn, hun wol, hun vachten; hij moet zijn oude wagens verkopen en zijn oude landbouwwerktuigen, hij moet zijn oude en zieke slaven verkopen en alles dat nutteloos of versleten is. Toen ik zelf als landedelman op mijn kleine boerderij in Capua woonde, placht ik mijn afgeleefde beesten eerst licht werk te geven, ze dan in de wei te laten lopen, totdat hun leeftijd een te grote last voor hen geworden scheen te zijn, dan kregen zij een slag op den kop. Nooit vernederde ik mijzelf, door ze voor een bagatel te verkopen aan een landman, die hen wreed zou laten werken tot hun laatsten snik. Wat myn slaven betreft, ik behandelde hen altijd edelmoedig bij ziekte en gezondheid, in jeugd en ouderdom en verwachtte daartegenover de grootste toewijding. Ik ben daarin zelden teleurgesteld, maar als zij mijn edelmoedigheid misbruikten, heb ik ook geen medelijden met hen gehad. Ik twijfel er niet aan, of de slaven van den ouden Cato werden altijd ziek in de hoop aan een humaner meester verkocht te worden en ik acht het ook waar-