is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al mijn vriendinnen mij voortaan Camilla laten noemen.”

„En wil je mij Claudius noemen ? Dat is een zeer goede naam voor mij, want het betekent : kreupele. Mijn familie noemt mij gewoonlijk Tiberius, maar die naam is niet geschikt, omdat de Tiber een zeer snellen loop heeft.”

Zij lachte. „Goed dan, Claudius, maar vertel mij nu eens wat je den helen dag doet, als je niet met andere jongens kunt rondzwerven?”

„Ik lees meestal en ik schrijf. Ik heb dit jaar al tientallen boeken gelezen en het is pas Juni. Dit is een Grieks boek.”

„Ik kan nog geen Grieks lezen. Ik ken alleen het alphabet. Mijn grootvader is boos op mij — ik heb geen vader, weet je — hij noemt me lui. Natuurlijk versta ik Grieks als ik het hoor spreken, wij moeten bij de maaltijden altijd Grieks spreken en ook als er bezoek is. Waar gaat dat boek over?”

„Het is een deel van de geschiedschrijving van Thucydides. Ik lees nu van een politicus, een leerlooier die Cleon heette. Hij maakte aanmerking op de legeraanvoerders, die de Spartanen op een eiland blokkeerden. Hij zei, dat ze hun best niet deden en dat als hij legeraanvoerder was, alle Spartanen binnen twintig dagen gevangen genomen zouden zijn. De Atheners hadden zo genoeg van zijn praatjes, dat ze hem het bevel over de strijdkrachten opdroegen.”

„Dat was een grappig idee. En wat gebeurde er toen?”

„Hij hield zijn belofte. Hij koos een goeden onderbevelhebber en zei hem, dat hij mocht vechten op de manier die hij verkoos, als hij den slag maar won. Die man kende zijn werk en zo bracht Cleon binnen twintig dagen honderdtwintig aanzienlijke Spartanen als gevangenen naar Athene.”

Camilla zei: „Ik heb mijn oom Furius horen zeggen, dat de knapste leider hij is, die knappe mensen weet uit te zoeken om voor hem te denken.” Toen zei ze: „Je zult nu wel heel knap zijn, Claudius.”

„Ze denken dat ik een volslagen idioot ben en hoe meer ik lees, des te idioter denken ze, dat ik ben.”

„Ik denk, dat je erg gevoelig bent. Je vertelt zo aardig.”

„Maar ik stotter. Mijn tong is ook een Claudius.”

„’t Kan best zijn, dat dat alleen maar zenuwachtigheid is. Je kent zeker niet veel meisjes, wel?”