is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ik zou trouwen met de dochter van Silvanus Plautius, en dat dit een geschiktere partij voor mij was, in verband* met mijn ziekten, dan de twee, die men vroeger op het oog had gehad, vermoedde ik, dat er iets veel ernstigers met deze Urgulanilla aan de hand was, dan alleen ziekte. Had zij misschien een gespleten verhemelte of een rode vlek over haar halve gelaat? Het moest in ieder geval iets zijn, dat haar niet presentabel maakte. Misschien was zij kreupel, net als ik. Dat zou mij niet kunnen schelen. Misschien was zij zelfs een heel lief meisje, maar verkeerd begrepen. Wij zouden een heleboel gemeen kunnen hebben. Natuurlijk zou het niet hetzelfde zijn als een huwelijk met Camilla, maar het zou tenminste beter zijn dan een huwelijk met Aïmilia.

Er werd een dag gekozen voor onze verloving. Ik informeerde bij Germanicus naar Urgulanilla, maar hij wist evenmin iets van haar als ik en scheen een beetje beschaamd dat hij in het huwelijk had toegestemd, zonder tevoren serieuze inlichtingen in te winnen. Hij was erg gelukkig met Agrippina en wenste, dat ik ook gelukkig zou zijn. Nu de dag kwam, een „gelukkige”, en daar stond ik weer, bekranst en in mijn schone kleed, te wachten bij het familie-altaar, op de bruid. „Den derden keer heb je geluk, zei Germanicus. „Ik ben er zeker van, dat zij knap is en vriendelijk en gevoelig, juist iets voor jou.” En was zij het? Wel, er zijn in mijn leven veel wrede slechte grappen met mij uitgehaald, maar ik geloof dat dit wel de wreedste en de slechtste was. Urgulanilla’was om kort te gaan: zij was geheel in overeenstemming met haar naam, die de Latijnse vorm is van Herculanilla. Zij was werkelijk een jonge vrouwelijke Hercules Hoewel pas vijftien, was zij ruim een meter negentig lang, terwijl ze nog groeide. Zij was zwaar en fors naar verhouding en had de grootste handen en voeten, die ik mijn leven lang ooit van een menselijk wezen gezien heb, met uitzondering van den reusachtigen gijzelaar uit Parthië, die vele jaren later meeliep in een bepaalden triomftocht. Haar gelaatstrekken waren regelmatig maar grof en zij keek bijna altijd dreigend. Zij liep voorover. Zij sprak even langzaam als mijn oom Tiberius (op wien zij, tussen twee haakjes, precies leek — er werd zelfs gezegd, dat zij werkelijk zijn dochter was). Zij wist niets, was niet geestig, had geen manieren, kortom zij miste iedere hoedanigheid om een ander voor zich in te