is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensen tot deugdzaamheid te brengen en de andere is om de mensen tot de waarheid te dwingen. De eerste methode past Livius toe, de tweede is uw methode, en misschien zijn ze wel met elkaar te verzoenen.”

„Wel jongen, je hebt redenaarstalenten,” zei Pollio verrukt.

Sulpicius die op een been had gestaan met een voet in zijn hand, zoals zijn gewoonte was, wanneer hij opgewonden of ongeduldig werd, en die nu knopen in zijn baard legde, resumeerde: „Ja, Livius zal nooit gebrek aan lezers hebben. De mensen houden er van om door een behoorlijk schrijver overreed te worden tot de deugd der ouden, vooral wanneer hen in een adem verteld wordt, dat de moderne beschaving die deugd onbereikbaar heeft

gemaakt. Maar zij die alleen de waarheid vermelden

„begrafenismannen, die het lijk der geschiedenis afleggen” (om het epigram van den armen Catullus op den edelen Pollio te citeren) — mensen die niet meer vertellen, dan er werkelijk gebeurd is — zulke mannen kunnen alleen een publiek houden, als zij een goeden kok en een kelder met Cyprischen wijn hebben.”

Dit deed bij Livius de maat overlopen. Hij zei: „Pollio, dit gesprek is nutteloos. De jonge Claudius hier is door zijn familie en vrienden altijd als een suffer beschouwd en ik ben het met dat algemene oordeel niet eens geweest. Vandaag ben ik echter van mening veranderd. Je leerling is je gegund. En Sulpicius kan dan zijn stompzinnigheid perfectionneren: er is geen betere leraar in stompzinnigheid in heel Rome.” Toen gaf hij ons zijn Parthisch schot: Et apud Apollinem istum Pollionis Pollinctorem diutissime polleat. Wat betekent, al gaat de woordspeling in het Grieks verloren: „En moge hij lang bloeien bij den tempel van den lijkenaf legger Apollo voor Pollio!” Toen ging hij briesend wég.

Pollio riep hem vrolijk achterna : „Quod certe pollicetur Pollio. Pollucibiliter pollebit p u e r. („Pollio beloofde je dat hij zal bloeien; de jongen zal uitbundig bloeien”).

Toen wij beiden alleen waren (Sulpicius was weggegaan om een boek te zoeken) begon Pollio mij te ondervragen.

„Wie ben je, jongen? Je heet Claudius, nietwaar? Ik vermoed, dat je van goede familie bent, maar ik ken je niet. J

9