is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoa zijn. In Afrika, zeiden ze, wisten de olifanten de verblijfplaatsen van den rhinoceros te mijden, die binnen zijn terrein de absolute alleenheerschappij voert. Ueze Indische olifant echter — zo beschreef Postumus mij het gevecht later — toonde geen ongerustheid of vrees toen de rhinoceros de arena binnen kwam rennen. Hij kwam hem telkens met zijn slagtanden tegemoet en zeulde met plompen spoed achter den rhinoceros aan, als die onthutst terugweek. Toen hij echter begreep, dat hij bij zijn aanvallen niet door de dikke wapenrusting van den rhinocerosnek kon komen, nam het fantastische creatuur zijn toevlucht tot een list. Hij pikte met zijn slurf een gr oven bezem op, gemaakt van een doornstruik, dien de veger in het zand had laten liggen, en wierp hem tegen den kop van zijn vijand, toen die weer een aanval deed: het lukte hem, eerst het ene en toen het andere oog blind te maken. De rhinoceros, waanzinnig van woede en pijn, wierp zich dan in deze, dan in die richting om den olifant te achtervolgen en rende ten slotte in volle vaart tegen de houten omrastering, ging er dwars doorheen, versplinterde zijn hoorn en liep zelf te pletter tegen den marmeren muur daar achter. Toen kwam de olifant aanzetten, met wijdopen bek, alsof hij lachte. Eerst maakte hij het gat in de houten omrastering groter en toen begon hij te trappen op den schedel van zijn vijand, dien hij verbrijzelde. Vervolgens schudde hij zijn kop heen en weer, het leek wel op de maat van de muziek, en wandelde meteen rustig weg. Zijn Indische drijver kwam aanlopen met een grote schaal vol suikergoed, dat de olifant naar zijn bek bracht, terwijl de toeschouwers hevig applaudisseerden, ioen bood hij den drijver zijn slurf aan, hielp hem op zijn nek en stapte naar Augustus, waar hij zijn koninklijk saluut trompetterde — aan die olifanten wordt geleerd, dat alleen voor heersers te doen — en knielend zijn eerbewijs bracht. Maar zoals ik al zei: ik woonde dit schouwspel met bij.

Dien avond schreef Livia aan Augustus :

„Beste Augustus,

Claudius’ onmannelijk gedrag gisteren, toen hij flauw viel bij het kijken naar twee vechtende mannen, om niets te zeggen van het malle trekken met zijn hoofd en zijn handen, wat bij een plechtig teest