is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachten op te rukken, zodat de Germanen zouden denken, dat er hulp in aantocht was — hierdoor werden zij niet vervolgd. De troepen bij de dichtsbijzijnde brug hoorden in de verte de Romeinse trompetten, want de wind woei uit het Oosten. Zij vermoedden wat er aan de hand was en zonden een detachement uit om het garnizoen in veiligheid te brengen. Twee dagen later verdedigde Cassius de brug met succes tegen een zwaren aanval van Segimerus’ mannen, daarna kwam Tiberius’ voorhoede opdagen en was de situatie gered.

In het eind van dat jaar viel de verbanning van Julilla naar Tremerus, een klein eilandje bij de kust van Apulië. Zij werd, evenals haar moeder Julia, beschuldigd van echtbreuk. De werkelijke reden van haar verbanning was, dat zij een kind verwachtte, dat, als het een jongen zou zijn, de achter-kleinzoon van Augustus zou wezen en in geen betrekking tot Livia zou staan; Livia waagde nu niets meer. Julilla had al een zoon, maar hij was een zwak, beschroomd, slap kereltje en er behoefde geen rekening met hem gehouden te worden. Aemilius zelf verschafte Livia de gronden voor de beschuldiging. Hij had ruzie met Julilla gehad en beschuldigde haar nu in tegenwoordigheid van hun dochter Aemilia, dat zij trachtte hem voor den vader te doen doorgaan van het kind van een ander. Hij noemde Decimus, een edelman uit de familie Silanus, als den echtbreker. Aemilia, die verstandig genoeg was om te begrijpen dat haar eigen leven en veiligheid ervan afhankelijk waren, bij Livia in een goed blaadje te blijven, liep regelrecht naar haar toe en vertelde haar wat zij gehoord had. Livia liet haar de geschiedenis in aanwezigheid van Augustus herhalen. Toen ontbood Augustus Aemilius en vroeg of het waar was, dat hij niet de vader van Julilla’s kind was. Aemilius had niet het minste vermoeden, dat Aemilia haar moeder en hemzelf verraden kon hebben, dus nam hij aan, dat de verhouding die hij vermoedde tussen Julilla en Decimus algemeen bekend was. Hij hield derhalve zijn beschuldiging vol, hoewel die meer op jaloersheid dan op zekerheid gegrond was. Augustus nam het kind, zodra het geboren was, en legde het op de berghelling te vondeling. Decimus ging in vrijwillige verbanning en verscheidene andere mannen, beschuldigd vroeger of later Julilla’s minnaars te zijn geweest, volgden hem. Tot hen behoorde ook de “dichter Ovidius, dien Augustus merk-