is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik deed om mijn moeder te plagen. Ik haalde een brief aan welken Augustus, die dol was op dobbelen, eens aan mijn vader bad geschreven, en waarin stond, met hoeveel plezier bij met mijn vader den afgelopen avond gespeeld had, want mijn vader was de beste verliezer, dien bij ooit had ontmoet. Mijn vader, schreef bij, moest altijd bard lachen tegen het noodlot, als hij den Hond wierp (de slechtste worp), maar als een medespeler Yenus wierp (de beste worp), dan leek hij even verheugd alsof hij haar zelf had geworpen. „Het is werkelijk een plezier om van jou te winnen, mijn beste kerel, en dit te zeggen is de hoogste lof, dien ik een man kan toezwaaien, want meestal heb ik er een hekel aan om te winnen, daar het mij een weinig prettigen kant toont van de mannen, die ik mijn meest toegewijde vrienden waan. Iedereen, behalve den allerbesten, begroot het van mij te verliezen, omdat ik de keizer ben en naar zij menen onmetelijk rijk. Zij vinden het redelijk, dat de Goden niet meer schenken aan een man, die al te veel heeft. Ik ben daarom gewoon — misschien heb je het opgemerkt — om altijd een fout te maken in de berekening na iedere serie worpen. Of ik vraag, als bij vergissing, minder dan ik gewonnen heb, of ik betaal meer dan ik schuldig ben, en ik heb gemerkt, dat bijna niemand (jij uitgezonderd) zo fatsoenlijk is om mij te corrigeren.” (Ik zou het aardig gevonden hebben ook een andere passage te citeren, waarin sprake was van Tiberius’ slechte spelerseigenschappen, maar dat kon ik natuurlijk niet doen.)

Ik begon dit boekje met een quasi ernstig onderzoek naar den ouderdom van het dobbelen. Ik citeerde een aantal niet bestaande auteurs en beschreef verschillende fantastische methoden om den beker met dobbelstenen te schudden. Maar het voornaamste deel was natuurlijk dat over het winnen en verliezen en de titel luidde Hoe win ik bij het dobbelen? Augustus had in een anderen brief geschreven, dat hoe meer hij probeerde te verliezen, hoe meer hij scheen te winnen. Zelfs als hij zichzelf voor den gek hield bij de berekening, stond hij zelden armer van tafel op, dan hij was gaan zitten. Ik citeerde een tegenovergestelde conclusie, door Pollio aan mijn grootvader Antonius toegeschreven, die luidde, dat hoe meer hij probeerde te winnen bij het dobbelspel, hoe meer hij scheen te verliezen. Uit deze twee conclusies leidde ik af, dat de fundamentele wet van het dobbelen was, dat