is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persen, bedekten de tekens de muren van den vloer tot het plafond. Germanicus’ enige troost was de moed, die Agrippina en de kleine Caligula aan den dag legden. Agrippina deed haar best de oorzaak van het spoken op te sporen en Caligula zei, dat hij zich veilig voelde, omdat de achter-kleinzoon van god Augustus niet door heksen gedeerd kon worden. Als hij er een ontmoette, zou hij haar met zijn zwaard doorboren. Maar Germanicus moest weer het bed houden. Midden in den nacht, die volgde op den dag waarop slechts drie letters van zijn naam overgebleven waren, werd Germanicus wakker door gekraai. Zo zwak als hij was sprong hij uit bed, greep zijn zwaard en liep naar het aangrenzende vertrek, waar Caligula en de baby Lesbia sliepen. Daar zag hij een haan, groot en zwart, met een gouden ring om zijn nek, die kraaide als om de doden te doen ontwaken. Hij probeerde hem zijn kop af te slaan, maar hij vloog weg door het venster. Germanicus viel bewusteloos neer. Het lukte Agrippina om hem weer op bed te krijgen, maar toen hij weer tot bewustzijn was gekomen, zei hij haar, dat hij verdoemd was. „Niet zolang je je Hecate bij je hebt”, zeide zij. Hij greep onder zijn hoofdkussen naar het beschermende beeldje en zijn moed keerde terug.

Toen het morgen was geworden schreef hij een brief aan Piso op de oud-Romeinse wijze, waarin hij hem persoonlijk den oorlog verklaarde en hem uitdaagde het ergste te doen, dat hij kon doen. Piso was echter al weggezeild en wachtte op Chios op het bericht van Germanicus’ overlijden. Zodra het hem bereikte, zou hij terugkeren om het bestuur der provincie op zich te nemen. Mijn arme broer werd met ’t uur zwakker. Toen den volgenden dag Agrippina buiten het vertrek was en hij half bewusteloos terneer lag voelde hij een beweging onder zijn hoofdkussen. Hij draaide zich om en zocht in paniek naar de Hecate. Het beeldje was verdwenen en er was niemand in het vertrek.

Den volgenden dag riep hij zijn vrienden bij elkaar, zeide hun, dat hij stervende was, en dat Piso en Plancina zijn moordenaars waren. Hij droeg hun op, Tiberius en Castor te vertellen wat er met hem gebeurd was en smeekte hun, zijn wreden dood te wreken. „Zeg het volk van Rome”, zei hij, „dat ik mijn vrouw en mijn zes kinderen aan zijn hoede toevertrouw. Zeg het volk dat het Piso en Plincina niet moet geloven, wanneer die voor-