is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar hij zag er erg verschrikt uit. Dien avond kwam hij mij opzoeken en hij zei: „Oom Claudius, vraag uw moeder om het niet aan den keizer te vertellen. Wij hebben geen kwaad gedaan, ik zweer het. Het was maar een spelletje. U wilt dat toch niet van ons geloven ? Zeg, dat u het niet gelooft.”

Toen hij vertelde, wat hij niet wilde, dat aan den keizer gezegd zou worden, en bij zijn vaders eer zwoer dat hij en Drusilla geheel onschuldig waren, voelde ik mij verplicht, voor de kinderen te doen wat ik kon. Ik ging naar mijn moeder en zei: „Caligula zweert, dat u zich vergist. Hij zweert het bij de eer van zijn vader en als er ook maar de minste twijfel bij u is omtrent zijn schuld, dan moet u dien eed eerbiedigen. Wat mij betreft, ik kan niet aannemen, dat een jongen van twaalf —”

„Caligula is een monster en Drusilla ook en jij bent een suffer. Ik heb meer vertrouwen in mijn ogen dan in hun eden of in jouw nonsens. Het eerste wat ik morgen doe, is naar Tiberius gaan.”

„Maar moeder, als u het aan den keizer vertelt, zijn die twee niet de enigen, die gestraft zullen worden. Laten we nu voor een keer eens open praten, en laat de aanbrengers naar de hel lopen. Ik mag dan een suffer zijn, maar u weet net zo goed als ik, dat Tiberius Agrippina ervan verdenkt, Castor te hebben vergiftigd om haar oudste jongens de monarchie te laten erven, en dat hij voortdurend leeft in de vrees, dat er plotseling een opstand te hunnen gunste zal komen. Wanneer u, als hun grootmoeder, deze kinderen van bloedschande beschuldigt, denkt u dan niet, dat hij een weg zal vinden om de oudere leden der familie in de beschuldiging te betrekken ?”

„Je bent een suffer, zeg ik. Ik kan niet tegen dat trekken met je hoofd en dat heen en weer gaan van je Adamsappel. Maar ik zag, dat ik toch indruk op haar gemaakt had. Als ik nu voor de rest van mijn verblijf in Rome uit haar nabijheid bleef, zodat ik haar niet hinderde met de herinnering aan mijn raad, dan zou Tiberius, naar ik vermoedde, nooit iets over deze kwestie van haar horen. Ik pakte wat zaken bij elkaar en ging naar het huis van mijn zwager Plautius om hem te vragen, mij onderdak te geven. (Plautius had het nu een heel eind gebracht en zou over vier jaar consul worden.) Toen ik bij hem kwam, was het avondmaal al lang voorbij en hij was in zijn