is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ouden, lammen, zieken, stotterenden dwaas als ik was, zou willen trouwen.

„O,” antwoordde hij onhebbelijk, „dat kan haar niets schelen. Het is haar voldoende, dat zij den neef van Tiberius en den oom van Nero trouwt. Je behoeft je niet te verbeelden dat ze verliefd op je is. Misschien zal ze een kind van je willen hebben terwille van zijn afstamming, maar enig gevoel....”

„Maar, afgescheiden van de eer, jouw zwager te worden, zou ik dan eigenlijk niet even goed niet van Urgulanilla kunnen scheiden? Veel beter zal mijn leven er niet door worden.”

„O, je zult het best klaarspelen,” lachte hij. „Naar deze kamer te oordelen, woon je hier ook niet al te eenzaam. Ik zie wel, dat er ergens een aardig vrouwtje is. Handschoenen, een handspiegel, een borduurraam, die doos met lekkers, die zorgvuldig geschikte bloemen. En Aelia zal niet jaloers zijn. Zij heeft waarschijnlijk haar eigen vrienden, al laten haar zaken mij koud.”

„Goed,” zei ik, „ik zal het doen.”

„Dat klinkt niet erg dankbaar.”

„Toch ben ik niet ondankbaar. Je hebt je veel moeite voor mij gegeven en ik weet niet hoe ik je eigenlijk moet bedanken. Ik voelde mij alleen wat zenuwachtig. Voor zover ik Aelia ken, is zij nog al critisch. Je begrijpt waarschijnlijk, wat ik bedoel.”

Hij proestte het uit. „Zij heeft een tong als een naald. Maar je bent nu toch zeker wel tegen gekijf gehard ? Je moeder heeft je wel aan een beetje gewend, is het niet?”

„Toch ben ik niet overal even dikhuidig,” zei ik.

„Kom, ik kan niet langer hier blijven, mijn beste Claudius. Tiberius zal niet begrijpen, waar ik blijf. Dat is dus af gesproken?”

„Ja, en wel bedankt.”

„O, tussen twee haakjes, het was toch Urgulanilla, nietwaar, die die arme Apronia om zeep hielp ? Ik verwachtte wel zoiets. Urgulanilla had een brief van Numantina gekregen met verzoek haar te wreken. Maar die brief was niet door Numantina geschreven, begrijp je?”

„Ik weet niets, ik sliep vast toen het gebeurde.”

„Net als Plautius?”

„Zelfs nog vaster dan Plautius.”

„Verstandige kerel! Adieu, Claudius!”

„Tot ziens Aelius Sejanus.” Hij vertrok.