is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veilig kunt vertellen. Ik hoop dat de bedienden ”

„O, die zijn doofstom. Je moet den wijn niet de schuld geven. Er is waarheid in den wijn en het gesprek was» voorzover het mij betrof, volkomen ernstig.”

„Maar als u werkelijk denkt, dat hij een monster is,

waarom moedigt u hem dan aan ? Waarom steunt u Nero niet ? Hij is een fijne kerel.”

„Omdat Caligula en niet Nero de volgende keizer zal zijn.”

„Maar hij zal een buitengewoon slechte keizer zijn, als hij is, zoals u zegt, dat hij is. En u, die uw hele leven aan den dienst van Rome gewijd hebt.... ”

„Ja. Maar je kunt niet tegen het noodlot vechten. En nu Rome ondankbaar en dwaas genoeg is geweest, om dien schoelje van mijn zoon toe te staan, mij aan den dijk te zetten en mij te beledigen — m ij — kun je je voorstellen, wat dat betekent? Mij, misschien de grootste heerseres, die de wereld ooit gekend heeft. Mij, zijn moeder .... ” Haar stem werd schel.

Ik deed mijn best, van onderwerp te veranderen. Ik zei : „Blijft u alstublieft kalm, grootmoeder. Zoals u zegt, kunt u niet vechten tegen het noodlot. Maar wilde u mij, in verband met dit alles, vanavond niet iets bijzonders zeggen ?”

„Ja, over Thrasyllus. Ik raadpleeg hem dikwijls. Tiberius weet het niet, maar Thrasyllus is hier dikwijls geweest. Hij vertelde mij een paar jaar geleden, wat er tussen Tiberius en mij zou komen — dat hij tegen mijn autoriteit in opstand zou komen en het rijk geheel in eigen handen zou nemen. Ik geloofde het toen niet. Hij vertelde mij nog iets anders : hoewel ik zou sterven als een teleurgestelde vrouw, zou ik vele jaren na mijn dood als godin erkend worden. En tevoren had hij gezegd, dat er iemand zou sterven in hetzelfde jaar, waarin ik nu weet, zelf te moeten sterven, die de grootste God zal worden, dien de wereld ooit gekend heeft en dat tenslotte geen tempels meer in Rome of ergens anders in het rijk zullen zijn, die aan iemand anders gewijd zijn, dan aan Hem. Zelfs niet aan Augustus.”

„Wanneer zult u sterven ?”

„Over drie jaar, in de lente. Ik weet den dag precies.”

„Maar wilt u zo graag godin worden ? Mijn oom Tiberius is er helemaal niet zo begerig naar, dacht ik.”

„Ik denk daar alleen nog aan, nu mijn werk gedaan is.