is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van voortdurende vrees leidt, omdat de verdorven leden van zijn eigen familie tegen hem samenzweren.” Het was duidelijk dat hiermee Agrippina en Nero bedoeld werden. Gallus stond op en stelde voor, dat men den keizer zou vragen naderen uitleg van zijn vrees aan den senaat te geven en die vrees weg te nemen, wat ongetwijfeld niet moeilijk zou zijn. Maar Tiberius voelde zich nog niet sterk genoeg om zich op Gallus te wreken.

In den zomer van dat jaar had in de hoofdstraat van Napels een toevallige ontmoeting plaats tussen Livia, die in een draagstoel ging en Tiberius, die te paard was. Tiberius was juist van Capri aangekomen en Livia keerde terug van een bezoek aan Herculaneum. Tiberius wilde voorbijrijden zonder te groeten, maar door de kracht der gewoonte hield hij de teugels in en groette haar, terwijl hij voor den vorm naar haar gezondheid informeerde. Zij zeide: „Je vriendelijke belangstelling heeft mij goed gedaan, mijn jongen. En als moeder geef ik je den raad : wees erg voorzichtig met den barbeel dien je op je eiland eet. Ze vangen er soms die erg vergiftig zijn.”

„Dank u moeder,” zei hij. „Daar de waarschuwing van u komt, zal ik mij in het vervolg stipt houden aan tonijn en poonvis.”

Livia snoof en terwijl zij zich tot Caligula wendde, die bij haar was, zeide zij met luider stem: „Nu, zoals ik zei, haastten mijn man (jouw overgrootvader, mijn jongen) en ik ons, een vijfenzestig jaar geleden denk ik, op een donkeren nacht door deze straat, op weg naar de havenwijk, waar ons schip in het geheim wachtte. Wij verwachtten ieder ogenblik gevangen genomen en gedood te worden door een der mannen van Augustus — al schijnt je dat nu vreemd ! Mijn oudste jongen — wij hadden toen nog maar een kind — zat op zijn vaders rug. En laat nou dat kleine ongeluk hard gaan janken: „O vader, ik wil terug naar Peru-u-u-sia.” De boel was verraden. Twee soldaten kwamen uit een herberg en riepen ons na. Wij doken een donkere portiek in om hen te laten passeren. Maar Tiberius ging door met janken: „Ik wil terug naar Peru-u-u-sia!” Ik zei: „Maak hem dood ! Maak het jong dood ! Dat is het enige wat we doen kunnen.” Maar mijn man was een teerhartige dwaas en hij weigerde het te doen. Slechts door een buitenkansje ontsnapten wij.”

Tiberius, die was blijven staan om het eind van het