is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was geworden om op hen te wedden — Caligula zou tachtigduizend winnen als zij verloren. Een van de kerels was zo verontwaardigd, beetgenomen te zijn, dat hij zich plotseling vastklemde aan den achtervolger, hem omverwierp en er in slaagde een drietand, die niet ver weg lag en een net te bemachtigen en weg te rennen. U zult het niet geloven, maar het slot was, dat ik mijn vijfduizend won! Eerst doodde die vertoornde netvechter twee achtervolgers, die met hun rug naar hem toe stonden en het druk hadden met het in ontvangst nemen der toejuichingen, nadat zij hun slachtoffers naar de andere wereld hadden geholpen, en toen doodde hij de andere drie, een voor een, toen zij op hem toe kwamen lopen, slechts een paar schreden achter elkaar. Caligula huilde van ergernis en riep uit: „O wat een monster ! Kijk, hij heeft vijf veelbelovende jonge gladiatoren met zijn verschrikkelijke forellenspeer gedood J” Als ik zeg, dat ik mijn vijfduizend won, bedoel ik, dat ik die gewonnen zou hebben, wanneer ik niet zoveel tact gehad had, om de weddenschap als niet gesloten te beschouwen. „Als één man er vijf doodt, is dat geen eerlijk vechten meer,” zei ik.

Tot nu toe had Caligula altijd over Tiberius gesproken als over een doortrapten schurk en hij had iedereen aangemoedigd, hetzelfde te doen. Maar op een dag kwam hij den senaat binnen en hield een lange lofspraak op hem, waarin hij zei, dat hij een door velen niet begrepen man was geweest, en dat niemand iets tegen hem moest zeggen. „In mijn waardigheid van keizer heb ik het recht, critiek op hem uit te oefenen, maar gij hebt dat recht niet. Eigenlijk zijt gij schuldig aan verraad. Onlangs zei een senator in een redevoering, dat mijn broeders Nero en Drusus door Tiberius waren vermoord, nadat hij hen op valse beschuldigingen had laten gevangen nemen. Het is verwonderlijk, dat zoiets gezegd is!” Toen haalde hij de rapporten te voorschijn, die hij zogenaamd verbrand had en las er lange gedeelten uit voor. Hij toonde aan, dat de senaat de bewijzen, die door Tiberius tegen zijn broeders verzameld waren, niet in twijfel getrokken had, maar met algemene stemmen had besloten om hen aan Tiberius tot het ondergaan van hun straf over te leveren. Sommigen hadden zelfs vrijwillig tegen hen getuigd. Caligula zei: „Als gij wist, dat het getuigenis dat Tiberius u (te goeder trouw) voorlegde, vals was, dan zijt gij de moordenaars en niet hij; en pas sinds hij overleden is,