is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peinsde juist, hoe prettig Calpurnia en Briseis het zouden vinden, mij terug te zien, toen Caligula, die in een schitterend humeur was, plotseling zei : „Aardig meisje niet, Claudius, ouwe snoeper ?”

„Werkelijk alleraardigst, God.”

„En nog een maagd, zover ik weet. Zou je met haar willen trouwen? Het kan gebeuren als je het wilt. Ik had een ogenblik zin in haar, maar het is grappig, ik houd werkelijk niet meer van onrijpe vrouwen.... Ook niet van rijpe vrouwen, begrijp me goed, behalve van Caesonia. Herkende je het meisje?”

„Neen god, ik lette alleen op u, om de waarheid te zeggen.”

„Zij is je nicht Messalina, de dochter van Barbatus. De oude koppelaar liet geen woord van protest horen, toen ik haar naar mij toe liet halen. Wat een lafaards zijn zé eigenlijk, Claudius!”

„Ja, god.”

„Prachtig, dan zal ik jullie morgen trouwen. Ik geloof, dat ik nu maar naar bed ga.”

„Duizendmaal dank en respect, god.”

Hij gaf mij zijn anderen voet om te kussen. Den volgenden dag hield hij zijn woord en verbond ons in den echt. Hij aanvaardde een tiende van Messalina’s bruidsschat als toelage, maar gedroeg zich overigens keurig. Calpurnia was in de wolken geweest toen zij mij terugzag en had gedaan alsof mijn huwelijk haar onverschillig liet. Zij zeide zakelijk: „Goed, mijn beste, ik zal naar de boerderij teruggaan en daar weer toezicht voor u houden. U zult me niet missen met dat aardige vrouwtje. En nu ge geld hebt, zult ge weer in het paleis moeten wonen.”

Ik zei haar, dat het huwelijk mij opgedrongen was en dat ik haar integendeel zeer zou missen. Maar daar liep zij niet in: Messalina was tweemaal zo knap als zij, had driemaal zoveel hersens en dan nog haar afkomst en haar geld op den koop toe. Ik was al op haar verliefd, zei Calpurnia.

Ik voelde mij niet op mijn gemak. Calpurnia was de enige geweest, die mij in die vier jaar van armoede trouw was gebleven. Wat had zij niet voor mij gedaan? En toch had zij gelijk: ik w a s verliefd op Messalina en Messalina zou nu mijn vrouw worden. Er zou, met Messalina, geen plaats zijn voor Calpurnia.

Zij weende, toen zij wegging. Ik ook. Ik was niet ver-