is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de economie der inheemsche samenleving in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnen het dorp met zijn communale economische organisatie, waar vrijwel elk dorpeling hetzelfde voortbracht en het wederzijdsch hulpbetoon, door de adat voorgeschreven, in een tijdelijk arbeidstekort bij de productie voorzag, was voor het geldverkeer weinig plaats.

De Hindoe-Javaansche vorsten hieven hun hoofdbelasting van de bevolking in natura, in landbouwproduct, in het Mohammedaansch Mataram kwam daarvoor echter een hoofdgeld in de plaats. Dat dit echter niet zonder bezwaar ging, daar de desa daartoe geen geld genoeg bezat — immers dit werd niet dagelijks gebruikt — kan blijken uit een bericht van Van Goens, die als gezant der Compagnie het Mataramsche hof bezocht. Hij vermeldt, dat Tegal Wangi van zijn onderdanen per huisgezin een reaal van 8ten als hoofdgeld eischte, doch dat, aangezien in het geheele land daartoe niet voldoende realen aanwezig waren, in de plaats daarvan 10 groote bossen padi konden worden geleverd.

Reeds vroeg treft men» ook pasars aan, waar pasargelden worden geheven. Lang vóór de invoering der landrente komen velerlei, meest aan Chineezen verpachte, belastingen voor, zoowel in de Vorstenlanden als in het tegenwoordig Gouvernementsgebied, welke in geld moesten opgebracht worden. B.v. de pachten en heffingen op huwelijken, het huren van ronggèngs (danseressen), het zamelen van brandhout, het maken van klein geschut, het winnen van sirih en van houtskool en het gebruiken van suikerkookpannen.

Later bracht de betaling van de cultuurdiensten, vooral in de koffiecultuur — hoe laag die ook vaak was — vrij veel geld onder de bevolking. Maar als ruilmiddel tot de inheemsche samenleving door te dringen vermocht dit geld niet.

Het geld was der inheemsche maatschappij dus niet geheel vreemd, evenmin trouwens als het produceeren voor den export, voordat het Nederlandsch beleid Nederlandsch-Indië maakte tot een landbouw-exportland bij uitnemendheid en het voorgoed inschakelde in het wereldverkeer. Zoo weten we, dat oudtijds de specerijen der Molukken en de peper van Sumatra en Bantam voor den export werden verbouwd. Ook de kerftabak van OudKedoe was in de 18e eeuw reeds handelsgewas. Men zou zich evenwel een scheeve voorstelling vormen, wanneer men aannam, dat al dit ruilverkeer van geld gebruik maakte: de ruil in