is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de economie der inheemsche samenleving in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van tabak verhuurde gronden vooraf geen aardnoten mogen worden verbouwd. Hier is sprake van een dwingen van de bevolking naar een haar vreemden wil; welke dwang slechts onder den druk der geldbehoefte wordt aanvaard. In de Cheribonsche suikerstreken leidde de behoefte der suikerfabrieken aan een zooveel mogelijk aaneengesloten, doch jaarlijks wisselend, plantareaal zelfs tot terugvorming tot communaal bezit van erfelijkindividueel bezit. De bevolking kon nu steeds een aaneengesloten bodemoppervlak verhuren, het ruilen van het gebruiksrecht van een door suikertuinen ingesloten stuk tegen een buiten het plantareaal gelegen lap grond was nu niet meer noodig. Zich aan zoo’n ruil te onttrekken was moeilijk voor één afzonderlijk bezitter, wanneer het dorpshoofd en zijn buren-verhuurders sterk op ruilen aandrongen.

Ook op het gebied der beschikking over het irrigatiewater komen de belangen van landbouwindustrie en bevolking nog wel met elkander in botsing, terwijl de oplossing daarvan van beide partijen dikwijls offers vraagt. Men denke b.v. aan de dag- en nachtregeling in sommige suikerstreken op Java, een regeling, die men door het wadoek-stelsel heeft trachten te vervangen.

De landbouwondernemingen op Java dreven in 1929 haar cultures op 203568 H.A. van de bevolking ingehuurde gronden, grootendeels sawah. Yan inheemsche grooten in de Vorstenlanden ♦ was nog 71450 H.A. gehuurd. Eelatief is dit niet zooveel op een totaal oppervlak aan inheemsche bouwgronden van 3^67515 H.A. sawah en 4J37^39 H.A. drogen grond. Echter moet men hierbij bedenken, dat de suikerindustrie de belangrijkste grondhuurster is, dat zij hoofdzakelijk sawah’s inhuurt en het riet ± 18 maanden daarop blijft staan. Van Maart tot October staan niet slechts de dat jaar ingehuurde gronden ter beschikking van de fabriek, doch dragen ook nog de nog niet gesneden tuinen van den vorigen aanplant riet. Bovendien zijn de grondhurende cultures in enkele streken geconcentreerd. Zoo zijn er in het regentschap Probolinggo desa’s, waar een gedeelte van het jaar tot 70 % van de gronden suikerriet draagt. Plaatselijk is dus de invloed der grondhurende cultures van veel grooter belang dan men zou afleiden uit de cijfers van het door haar bezet bodemoppervlak in vergelijking met het totaal van de inheemsche bouwgronden.

3