is toegevoegd aan je favorieten.

De drie dwazen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buiten was de nacht met zijn killen mist, hier was het licht van een zuivere liefde. Eenige oogenblikken had voor hen de tijd stilgestaan. Totdat ze verwonderd om zich heen zagen. Ze waren weer teruggekeerd uit die sfeer die zoo zelden door menschen bewoond wordt, om weer te gaan denken aan de kommerbrengende veelvoudigheid van het stoffelijk bestaan...

Zij wilde toen, dat hij ging rusten. Hij had een zwak gestel, dan nog dat vele vioolstudeeren en 's avonds de zware arbeid in het orkest... Den volgenden dag zouden ze alles bespreken; samen naar een priester gaan om wat hij voorgenomen had, te regelen. En toen had hij haar gesmeekt, „kom Liza, laat me bij jou blijven, dezen eenen nacht, eens zullen we toch elkaar toebehooren? Kom, wees lief." Zijn stem was heesch van hartstocht, hij was geheel zijn bezinning kwijt, hij drukte haar onstuimig aan zijn borst en zoende haar hals. Doch, toen zij begreep hoe het met hem stond, was zij geschrokken. Ze werd angstig voor zichzelf, ze hield zijn wanhopig omstrengelende armen vast en gaf hem lieve namen. Ze zwoer hem bij de Moeder Gods, dat ze hem eens alles geven zou, als hij haar nu sparen wilde. Ze wilde rein blijven tot na het groote oogenblik, als ze verbonden waren voor het heilig altaar, waar Christus zelf tegenwoordig was. Dan zouden er stroomen van muziek over hunne hoofden gaan; het hemelsch zonlicht zou door de kerkruiten stralen en ze waren voor eeuwig naar ziel en lichaam verbonden.

Eerst jaren later heeft hij beseft, dat hij daar op dat oogenblik, in dat donkere huis, zijn schoonste stonde had beleefd. Hij was ook eens een gezegende onder de menschen geweest. Toen hij, na haar goedennacht gezoend te hebben, op zijn kamer teruggekeerd was, had hij lang en vurig gebeden.

Den volgenden dag ontving hij op een sollicitatiebrief,