is toegevoegd aan je favorieten.

De drie dwazen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij bezag het adres, alvorens er den brief uit te voorschijn te halen, met de grootste aandacht, en las:

Rotterdam, x Dec. 1891.

Lieve Thom.

Wat moet ik je antwoorden op je brief!... Je zeide daarin, dat de woorden, die ik je den laatsten tijd schreef, je zoo vreemd, leeg en zoo raadselachtig voorkwamen; dat ze je, ofschoon naar alle schijn, goed en hartelijk, toch ongerust maakten. Beste goede jongen; o, ik huil heete tranen terwijl ik je deze dingen schrijf, maar ik moet de waarheid zeggen en onderwijl ik dit doe, bid ik God, dat Hij je zal bewaken en je mij niet zult verdoemen. Ik ben zoo ongelukkig. Ik had hier maanden lang alleen gewoond en over jou gedacht en gedacht. Ik heb gehongerd naar den tijd, dien we samen zoo met alle hoop verwacht hadden. Als ik uitging, om mijn werk aan de menschen te brengen, was ik alleen; altijd alleen, alleen! Van mijn familie hoorde ik natuurlijk niets, men had mijn naam zelfs daar uitgebannen en vervloekt. Geen vriendin van vroeger kon ik meer de mijne noemen, na dat geval, dat ik het huis verliet voor jou. Niemand wilde mij meer ontvangen. En nu komt mijn bekentenis, Thom, vergeef me, toe, wees groot en oordeel me naar de maat van je diep verstand en je edel hart!...

Het is nu twee maanden geleden, dat ik langs de Kruiskade ging om werk te halen bij een mevrouw in de J... straat, en omdat ik den weg daarheen niet wist, vroeg ik dien aan een juffrouw, die ik daar zag. Op dat moment passeerde ons een heer, die mijn vraag gehoord had. Hij bood mij onmiddelijk aan den weg te wijzen. Hij liep daartoe met mij op; ik kon dezen dienst niet afwijzen en hoorde toen de vriendelijke indringende woorden aan, die hij naast mij voortgaande, tot mij sprak. Het deed mij goed even met een beschaafd mensch te kunnen praten.