is toegevoegd aan uw favorieten.

De drie dwazen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoet oogenblik gesmaakt had met Henri, als de ouders al lang sliepen.

„Wie is daar?" riep ze, toen ze iemand de trap hoorde opkomen.

„Thomas! Thomas Wolf!... Ben jij het Lina, beste Lina?"... Ze kende die holle stem, die van uit de diepte tot haar kwam. Kon dat werkelijk de vriend van Henri wezen, de broer van haar vroegere vriendin Marie?... Ze stond sprakeloos... en wachtte af... Daar was de man en ze week instinctief achteruit. Hij rook naar stof, zweet en ontbering; hij had iets van een wild beest. „Ken je me niet meer, Lina?" hijgde hij en hij kwam vreemd woest op haar af om haar een broederlijken kus te geven. Carolien, die zoolang reeds den omgang met mannen ontwend was en zijn poging om haar te omhelzen misverstond, weerde hem verontrust af. Ze wees schuw naar de kamer: „voorzichtig," fluisterde ze; mijn moeder hoort het!"... Gelijk ging de kamerdeur open en bij den zwakken lichtglans, die nu op het portaal viel, herkende Thomas de sterk verouderde vrouw, die argwanend en onzeker naar hem keek. Ze was immer nog bang voor verleiders, nooit meer vertrouwde ze haar dochter. „Het is Thomas Wolf, moeder! Kent u hem niet meer. We hadden het juist over hem."

„Hu.. .uh!"... schrok de vrouw, achteruitwijkend, toen ze den ruigen bleeken bandiet op zich zag toekomen, „een vent!"...

„Moeder toch! Het is Thomas!... ik herkende hem eerst ook niet! Ja, je bent wel erg veranderd, dat is waar," zei ze tot hem.

„Kom toch binnen," hoorde men een neuzige stem uit de kamer, waar de oude man zich afvroeg wie daar zijn rust kwam verstoren. Eerst toen het drietal binnenkwam, onder het gaslicht, werd de oude vrouw gerust. „Nou zie ik het," zei ze, „nou ken ik je weer. Het is Thomas Wolf," keerde ze zich veelbeteekenend tot haar vragend blikkenden man. „We hadden het juist over hem."