is toegevoegd aan uw favorieten.

De drie dwazen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maak ik koud, met die nijptang hier. Het is maar goed, dat ik dat dingetje niet van de hand gedaan heb. Je kunt nooit weten. Maar... God weet waar mijn broer op zint. Stel je toch eens voor, dat ze, om de schande voor de familie, weer met het gekkenhuisregime gaan beginnen! Christus nog aan toe! De gevangenis kom je weer gauw uit, maar een rusthuis nooit, als je familie niet wil. O, Fer, waarom moest jij slagen, als mijn halfbroer? Waarom moest jij protectie hebben en geluk in Indië? Waarom moest ik als schandvlek van de familie weggewerkt worden? Als mijnheer Huiberts me toen het geld in me jatjes gegeven had, zou ik mijn meisje van dien „mosterdjongen" vandaan gehaald hebben, we waren getrouwd en zouden gelukkig geweest zijn; in de groote wereld gekomen zijn; in het theater, zooals die rijke bliksem, daarnet. Die arme gek van een Wolf toch! Wat heeft hij nu aan zijn fijne vrouwtje met haar mooie smoeltje?... Pyramidaal... een sigarettenplaatje... een beeldje uit een bazar! Die kerel daarnet, heeft natuurlijk gelijk, dat hij het leven grijpt, waar hij het vindt. Fortuin, jeugd, liefdesgeluk, doktertitel, mooie wijfjes onderzoeken, tsja... dat is het leven! Waar blijft mijn kans nu?... Fer, Fer, wat heb je leelijk tegen mij gehandeld, ach! Ik heb alles gedaan om het leven te veroveren; maar steeds, steeds tegengewerkt door Fer. Haat van het burgerlijk tegen het adellijk bloed. Waarom helpt hij niet; stelt hij me niet aan zijn vrouw en dochters voor?... Ik kan dat eischen als ik wil!... Maar ik zweer hier bij de gedachtenis aan mijn meisje, dat ik het er niet bij laat. Dat geld van mijnheer Huiberts zal me niet ontgaan. Ik moet er heen, direct desnoods! Maar neen, ik moet eerst geld hebben voor sjieke kleeren... hoe kan me niet verdommen! O, ik deins voor niets terug, als het om mijn geluk gaat!"...

Hier stond hij even stil, in een donkere laan van het bosch, temidden van een regen van dorre bladeren. „Wie zegt mij," overwoog hij, „dat ik mevrouw Huiberts, als ze me fijn gesoigneerd ziet, niet aansta?... Ze ziet er nog