is toegevoegd aan je favorieten.

De drie dwazen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou dit, door de reactie van de doorgestane ellende, nog noodzakelijk wezen. Hiertoe kwam spoedig een aanleiding.

Op een avond kregen zij onverwacht bezoek van Gerard Godefroid. Het was voor het eerst, dat hij met de nieuwe familie van zijn broers vriend in aanraking kwam, en met weemoed aanschouwde hij daar den natuurlijken zoon van zijn geadoreerden broeder, welken laatste hij, wijl Henri's vertrek tijdens zijn eerste kinderjaren had plaats gevonden, slechts van portretten, o.a. van die uit overgezonden muziektijdschriften, kende. Daar juist de zaak wegens het avonduur gesloten werd, gingen allen naar de tweede étage, naar de voorkamer, waar Thomas, immer als het middelpunt van de familie, op zijn plaats bij het wijdgeopend venster zetelde. Het was lang niet met ongemengde vreugd, dat Gerard zijn vriend terugzag; hij vond hem vermagerd en bekeek hem aandachtig. Hijzelf had evenmin prettige tijding te brengen. Zooeven was hem in den Haag het bericht geworden eener ernstige ongesteldheid van zijn broer te New-York. Het was een spoedbrief; hijzelf had hem aangenomen en omdat hij iets ernstigs vreesde, had hij den brief alleen voor zichzelf gelezen en de slechte tijding voor de oude menschen verborgen gehouden. Zijn moeder was meer en meer invalide geworden den laatsten tijd, haar spraakvermogen kwijt en niet geheel toerekenbaar meer. De oude Godefroid was, hoewel nog gezond, zoogoed als blind. Hij wilde hun alle schokkende mededeelingen besparen, en hen tot aan den dood een mooie illusie over Henri laten behouden. Slechts de oude huishoudster, zijn nicht, Anna van Arkel, had hij in het treurig nieuws ingewijd. Aandoenlijk was het, nu juist in deze dagen te zien, hoe de oude vrouw, niettegenstaande haar verzwakten geestestoestand, onafscheidelijk was van haar zoons, haar Henri's portret. Hoe ze het steeds bekeek, er mee sprak en soms in tranen uitbarste. Dan scheen plotseling haar helderheid teruggekeerd. Ze schaamde zich tegenover Gerard en Anna van Arkel, of ze op heeterdaad betrapt was. Ze greep dan de hand van Gerard, „ik hou