is toegevoegd aan je favorieten.

De pothoofdplant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UND ICH SAH, DASS ES ZARTE, FEINE FRAUENHANDE WAREN ....

Hij droeg de vloek — had zij gepeinsd haar dagen niet op het kind en het ellek uur gevoed, wel toegeneigd, schoon onder pijnlijk vragen:

Geen zoon, geen zoon, dan zijn mijn dagen goed."

Formerend was ze geest in aarz'lend leven,

dat vond zijn vorm, uit boven hare wil;

nerveus had zij z'n dagen vol geschreven;

zij zag den zoon en zweeg, verbijsterd, stil.

Een knaap ging hij — eenzelvig en verlegen — hij vond de weg niet, die een knaap wil gaan;

hij, die in het leven aandeel had gekregen,

bleef zeer vervreemd en aan de ingang staan.

Totdat een dag men smalend zei: „Gij, peinzer,

gij zijt een vrouw . . ."—toen vloog een gloeiend rood hem naar de kaken en toen werd hij veinzer,

ging dol en driest en zocht de koele dood.

Hij droeg de vloek — zijn vrouwenhanden waren zacht als fluweel — zo was zijn gans bestaan, onmerkbaar zelfs voor allen, die hem zagen:

aan 't anders-zijn is hij teniet gegaan.

Want smachtend ging hij, die niet anders wilde,

maar onbewust week van 't verlangde pad;

één, die zijn driften aan zichzelve stilde,

schoon elke daad zijn fel berouwen had.