is toegevoegd aan je favorieten.

De pothoofdplant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE OUDE DAME

Zij kwam langs het bospad; heel die zomermaand heeft zij dezelfde weg, verrukt, genomen;

ik wist, dat ik haar daar zou tegenkomen,

zeer aandachtsvol het smalle wegje gaand.

Het viel mij op, hoe zij vermoeider ging; „Eén maandje nog en ik zou zijn genezen;

het moet hier in September prachtig wezen . . . .; gezond te zijn is zo'n verruk'lijk ding

Dan hield zij mij haar nieuwe vondsten voor: een gaaienveertje en wat witte heide;

„Dat heet geluk, Mevrouw . . . — toen ik het zeide lachte ze, groette en ging aanstonds door.

Maar 's avonds in het stille pension,

kwam, als gewoonlijk, ik haar nog wat lezen:

ze vroeg: „Denkt U, dat ik nog zal genezen ?

Ik wou zo graag, dat ik nog büjven kon

De torenklok sloeg zwaar de stilte stuk;

het enige, wat zij nog verder zeide:

„Bewaart U nu dat takje witte heide;

ik ben te oud geworden voor 't Geluk

En 's morgens, toen ze in de auto ging,

scheen ze vermoeider dan ze was gekomen; het afscheid heeft ze snikkend haast genomen: „Gezondheid, Kind'ren, is zo'n machtig ding "