is toegevoegd aan uw favorieten.

De pothoofdplant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE CHEF

In elke toonaard valt met U te spreken:

Gij blijft Zijn Heil'ge Onbewogenheid;

tikt Uw sigaar; zegt: „Denkt U aan de tijd!"

en hebt de klagers door Uw deur gekeken.

Gij laat veel driften langs U henen glijden;

geen klacht, die ooit Uw koude hart bewoog; Gij blaast Uw rook bedachtzamer omhoog, naarmate wij U harder dingen zeiden.

Maar altijd blijft Gij, wat omstandigheden zich opdoen in Uw kleine kabinet,

de Héér — wij zijn de draaiers-met-de-pet, die buiten woester, dan hier-binnen deden.

Uw nagels wrijvend hoort Gij onze klachten;

tikt Uw sigaar en zegt: „U kunt wel gaan en aan de mensen, die nog buiten staan,

wilt U wel zeggen, dat ze even wachten."

Gij leert ons allen op de tenen lopen;

de deur valt achter ieder zachtjes toe;

Gij speelt het klaar, al weet ook niemand hoe en menig wachter is mee afgedropen.

Gij spilt aan geen van ons zelfs maar beloften; Gij zegt ook niet, dat Gij wel eens zult zien;

vaak kreeg een klager z'n ontslag nadien;

onder Uw vrienden spreekt Gij van: „die schoften".

Wij zijn twee werelden en twee gelaten;

als mensen hebben wij niets meer gemeen,

dan enkel nog dat onvermijdelijk één:

van een verbitterd tot het einde haten.