is toegevoegd aan je favorieten.

Dokter Heldring's groote conflict

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na een goed deel van een jaar, dat Bernard een eindeloosheid van leege zondagen scheen, in een saai pension te hebben doorgebracht, stond hij op een grauwen wintermorgen op een tochtig perron en wuifde een vertrekkenden trein na, die een arm van vader met een witte zakdoek eraan, in al sneller wordende vaart door de nevelige kilte wegvoerde. Het was het laatste wat hij van z'n vader zag, want drie jaar later meldde een telegram, dat hij aan malaria overleden was.

Voor Bernard bracht dit geenerlei verandering in z'n leven. Z'n eerste zondagochtend was wel een wonderlijk leeg ding, nu hij dien niet meer behoefde te besteden aan een brief naar Indië. Ofschoon hij die gedwongen schrijverij gehaat had, gaf het bevrijd zijn daarvan, hem nu toch stellig niet een prettig gevoel van vacantie. Het leek hem of er een ijlte om hem heen gekomen was. Zoolang de mail, na aankomst van het telegram nog brieven voor hem bracht, door vader geschreven, leek het niet aan te nemen, dat hij werkelijk dood zou zijn. Toen dit ophield liet het wegblijven van den wekelij kschen brief in den eersten tijd een onvoldaanheid, zooals het wegvallen van een wel prettig lesuur van het rooster zou gegeven hebben. Maar eenmaal hieraan gewend, bleef er geen noemenswaardige herinnering aan z'n vader meer over.

In een van die laatste brieven schreef vader: ik zie aan je rapporten dat je een goed wiskundehoofd hebt; het zou me plezier doen als je ingenieur werd; hier op Java zou je dan in de suiker een mooie carrière kunnen maken en veel geld verdienen.

Toen hij eens in een vacantie bij oom Heldring logeerde, liet hij dien dezen brief zien.

„En wat denk jijzelf hiervan," vroeg oom, „heb je lust ingenieur te worden?"

„Moet ik het doen, omdat vader het graag wou," vroeg Bernard, met een uitdrukking op zijn gezicht als moest hij een moeilijke puzzle oplossen.