is toegevoegd aan uw favorieten.

Dokter Heldring's groote conflict

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verpleegster schoot met een stoel toe, nog voor de ambonnees en de twee bruine zusjes hun hersenen in werking stelden om het bevel op te nemen. De ambonnees, gedienstig nu, drukte den chinees den stoel in z'n knieholten. Werkelijk liet deze zich er uitgeput op neer. Zijn gezicht zag olijfgroen en het was hem aan te zien dat hij zich met bovenmenschelijke inspanning bij bewustzijn hield.

„Kwee Joen Hong, je moet naar bed," zei Bernard barsch.

„Maoe poelang," hield de chinees hardnekkig vol met een starre grijns.

„Je bent morgen dood," dreigde de dokter.

„Tida takoet," glimlachte Kwee Joen Hong placide.

„In godsnaam, haal dan maar een karretje voor hem. Maar geef hem een van de djongossen2) mee om onderweg z'n laatsten adem op te vangen."

Het karretje reed voor, de verpleegster hielp een handje en met z'n koffertje op z'n knieën reed hij weg.

„Die leeft geen dag meer," voorspelde Bernard meer tot zichzelf dan tot de omstanders.

„O, toch, mnéérr dokter ... hij gaat niet hiervan dood ... een chinéés niet," verklaarde de ambonnees overtuigd.

Toen Bernard, misschien een week later in het middaguur door de chineesche kamp reed, zag hij Kwee Joen Hong in zijn tokootje zitten. Hij hing achterover gewipt op z'n houten stoel, z'n beenen had hij languit in z'n uitstalling gestoken tusschen de kranjangs3) met rijst en gedroogde visch, en z'n armen slierden, slap als van een lappen pop, achteruit over de leuning van z'n stoel. In deze houding, hangend in z'n oksels, genoot hij zoo onbezorgd z'n siësta, dat er geen twijfel aan z'n gezondheid overbleef.

') ben niet bang. a) bedienden *) manden