is toegevoegd aan je favorieten.

Dokter Heldring's groote conflict

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En met dat eene eenvoudige gebaar was ze weer tot hem terug gekeerd, ze was weer zijn kleine zachte vrouw, hij was weer haar beschermer.

En daarmee vond hij ook weer z'n gewone rustige Zekerheid terug.

„Je bent moe, liefste, je bent smalletjes geworden, de laatste weken. En je moet nu vooral goed op jezelf passen."

Als een kind nam hij haar op, legde haar in bed, peuterde haar colliertje los, schoof haar haar armbanden af. „Ben je blij met je nieuwe kind?" vroeg hij, over haar heen gebogen, zijn mond dicht bij de hare, met z'n oogen knipperend zooals hij altijd deed, als hij verlegen werd om z'n ontroering.

„Ja, ik ben blij," zei ze langzaam. „Ik verlangde naar weer een kind van je."

„Lieveling." Hij zoende haar met z'n hartstochtelijke innigheid, die nooit onstuimig werd, altijd bedachtzaam en teeder bleef. Want zelfs in zijn hartstocht bleef hij ingetogen, alsof zijn liefde te hoog en te kostbaar was om met al te menschelijke begeerte eraan te raken.

„Ga je nu uitkleeden," zei ze zacht. Ze bloosde vluchtig, draaide even haar oogen weg onder zijn blik. „Het is al laat," zei ze met haar zedigste gezichtje, „en lieveling ... doe die lamp toch uit; het is immers licht genoeg van de maan."

HOOFDSTUK VII

EN weer gingen de dagen hun gewonen gang, schakelden zich aaneen, aaneen, tot een onafzienbaren, gelijkvormigen keten. Geen toespeling werd er door een van beiden gemaakt op hun gesprek van dien eenen ongewonen dag. Het leven vlood voort als een glad stroompje tusschen oevers, die in hun overbekendheid geen ver-