is toegevoegd aan je favorieten.

Dokter Heldring's groote conflict

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in haar hand; de kleine Gerard was aan haar knie komen staan en keek met z'n groote donkere oogen naar haar op.

„Is Geetje stout geweest?" vroeg hij met trillende lipjes.

„Neen, neen, m'n schat, je bent moeders engel."

Ze sloeg een arm om hem heen en heesch hem naar zich op, terwijl ze z'n zijïge bolletje kuste; de tranen begonnen weer te vloeien.

„Mamma, waarom huil je," vroeg Hansje angstig, „komt Pappa nooit terug? Is Pappa dood gegaan?"

Ze klemde het kind in haar arm.

„Schat, schat van me," glimlachte ze met een van smart verwrongen gezicht. „Wees maar niet bang m'n lieverd, pappa komt gauw, heel gauw; en zul je dan altijd erg lief voor hem zijn. Beloof je me dat, ja? Kijk, Mamma huilt al niet meer; het was maar even, zie je; ik had ... zoo'n ... erge pijn ..."

„Kiespijn?" informeerde hij gewichtig.

„Ja, ja, kiespijn. Weet je nog wel hoe jij gehuild hebt laatst toen je zoo'n kiespijn had?"

Ze trok ze hun jasjes aan, waschte haar gezicht en poeierde zich wat.

Toen ging ze met haar beide kinderen, een klein warm handje in ieder van haar koude handen, de stille straat over; door de koelte van den nazomeravond, waar de herfst al z'n zwaarmoedig-bitteren geur door mengde ...

„Komen jullie hier slapen," vroeg Ria, die opendeed. „Dat is leuk, hoor."

„Vertel je een verhaaltje?" bedelde Hansje.

„Als jullie erin liggen. Geef ze mij maar, Hetty; ik kleed ze uit."

„Ach nee, laat mij Geetje maar ..." Ze drukte z'n handje vaster, terwijl ze naar de logeerkamer gingen.

Mevrouw van Groenou redderde nog aan hun bedjes.

„Slaap je zoo slecht, kind," begroette ze Hetty, „ik zou toch eens een dokter raadplegen."