is toegevoegd aan je favorieten.

Dokter Heldring's groote conflict

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ze liep hem na en kwam naast het portier. „Waarom mag ik je niet helpen, Bernard?" vroeg ze met neergeslagen oogen. „Vroeger heb je me vaak gevraagd of ik met je mee wou gaan. Dikwijls wou ik niet, als ik in een moedelooze bui was. Daar heb ik nu zoo'n spijt van. Ik had je altijd moeten helpen, met je mee moeten werken, dan had er nooit kunnen gebeuren ... wat er nu gebeurd is."

Hij keek neer op haar blonde haar, dat glansde in den helderen zonneschijn. Een glimp van een lach gleed als een straal zon over z'n stroeve gezicht.

„Kom mee," zei hij en vatte haar bij de hand om haar te doen instappen.

„Ik heb niet eens kousen aan," merkte ze op, terwijl ze haar schoenen dichtknoopte. Ze wuifde naar Hansje en Geetje, die ieder op een steenen paal aan de oprij geklommen waren en daar bovenop troonden. Ze waren juist, als groet voor hun vader begonnen een hoeraatje aan te heffen, maar de kleine Gerard liet dat, toen hij z'n moeder ontdekte, in een jammerkreet overgaan.

„Stop nog even," stootte ze Bernard aan en zich over 't portier buigend riep ze: „Mamma komt gauw terug, Geetje, en ik breng wat voor je mee; en jullie mogen bij kokki kwee-pisang gaan bakken."

Toen ze nog eens omkeek, zag ze twee kleine figuurtjes een vreugdedans op den weg uitvoeren om den tuinjongen heen, die, de kin op z'n onafscheidelijk attribuut, den bezem gesteund, zich nu zijn meesteres toch weg was, gereedmaakte tot eenige uren genoeglijk luieren.

„We zullen even langs het ziekenhuis rijden," zei Bernard, „ik zal dien inlander meenemen; anders is 't avond voor hij thuis is."

„Hoe ver is 't ongeveer?"

„Voor ons langs den weg een 40 K.M. schat ik. We