is toegevoegd aan je favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In milden zomerschen wind, voortgestuwd naar verten van goud en blauw; dan weer ziet zij zichzelve in een verlichte kamer; zij speelt piano, vaart op een stroom van klanken die haar verrukken en als zij geëindigd heeft, leest zij bewondering in de oogen van de menschen, streelt moeder haar over de handen, kijkt vader met trots naar zijn mooi, begaafd kind. Herinneringen, droomen... Alles voorbij?... Is nu haar jeugd voorbij?!

Maar misschien wordt het kind wel dood geboren. De laatste weken voelt zij niets meer bewegen. Het is of zij een levenlooze last draagt.

Méér is 't ook niet voor haar. Zij maakt zich geen voorstelling van 't kind; duwt elke poging daartoe af. Zij voelt er niets voor; het is het product van een vergissing, een domheid. Het mag niet geboren worden; nooit zou 't kunnen groeien tot een goed en gelukkig mensch.

Als zij straks viel bij 't uitstappen van den trein? Zij heeft wel eens gehoord dat zulk een ongeluk noodlottig is voor een kind in 't moederlijf.

Maar zijzelf dan? Pijn zou 't doen; zij zou ziek worden; sterven misschien.

Weer het angstzweet; de benauwdheid die haar hand onwillekeurig naar de keel brengt.

In krampige angst vluchten haar oogen weg naar het landschap daarbuiten. De man tegenover haar strekt zijn hand uit. „Hebt u 't warm? Zal ik 't raam...?"

Hij staat op om het glas te laten zakken.