is toegevoegd aan uw favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat mooi zijn je oogen, Peggy. Weet je waar de kleur op lijkt? Op de blauwe distels hier in 't duin. Zoo blauw en toch met een schaduw van groengrijs, een wonderlijke kleur."

„Misschien lijk ik zelf ook wel op een blauwe distel, hard en scherp, prikkelig en overbodig!"

„Overbodig?"

„Behalve misschien voor ezels — ik heb een ezel nooit een blauwe distel zien eten, maar hij zal er wel van houden."

„En ben ik dan de ezel?" vraagt hij.

Zij lachen. Dan vervolgt hij: „Hoe kan schoonheid ooit overbodig zijn? En dat je prikkelt vind ik juist een deugd. Zeg Peggy, vertel me eens, heb je veel liefdesgeschiedenissen gehad?" Nieuwsgierig als een kind dat verhaaltjes wil hooren steunt hij op zijn ellebogen in 't zand en kijkt haar aan.

„Neen." —

„O, je wilt me niets vertellen. Maar je hebt gelijk. Een vrouw moet geheimzinnig blijven, dat is juist haar charme. Ik heb eens een vriendinnetje gehad, dat me uren lang over haar amours en avonturen kon praten. Wat werd zij vervelend, bon Dieu! ik kon haar op 't laatst niet meer zien."

„Zullen we niet eens gaan kijken naar Letta?" Vlug staat Peggy op haar lange slanke beenen en schudt haar hoofd achterover alsof zij iets wil weggooien.

Zij gaan naar het strand terug, waar Letta woedend naar hen toe holt.