is toegevoegd aan uw favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op dat verlaten deel van 't strand, waar zij afdaalt voor haar bad. De golven nemen haar op en spelen met haar. Zij voelt het willige, glijdende, maar verraderlijk sterke water om haar heupen, om haar borst. Met haar armen slaat zij op de golven, laat zich deinen, drijven, kijkt in den glanzenden hemel en voelt zich een visch, een najade, een zeemeermin.

Zij lacht proestend, slaat om zich heen, als een genietend kind. Hoe licht, hoe vanzelfsprekend licht en gemakkelijk is nu het leven! Er is muziek in den wind, in de golven, in haar eigen bloed. Waarom kan een mensch niet altijd gelukkig zijn?...

Zij baadt het liefst alleen. De anderen weten het en zij hervinden elkaar in de kleine veranda achter het huis, waar Letta gewoonlijk een kring van bezoekers om zich heen heeft.

Bruno zet thee; niemand kan dat zoo goed als hij. In een pyjama van donkerblauwe zij met groote knoopen, sluitend om zijn slank jongenslichaam, ziet hij er exotisch uit.

„Waar is Peggy? O, daar komt ze," roept hij, en haar toewuivend: „kom dadelijk hier! Er zijn aardige menschen!"

Zij wuift zwijgend terug en gaat om het huis heen haar kamer in om zich te verkleeden. De gewoonte van Letta om den heelen dag in badpak te blijven staat Peggy tegen. Als zij zich eindelijk bij de anderen voegt, ziet zij dadelijk dat er een nieuwe gast bij is gekomen. Zij begroet de de Munniks, hun buren, die