is toegevoegd aan uw favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eduard kruipt uit zijn two-seater en kijkt naar boven.

„Ik kom!" Peggy haast zich naar buiten. „Letta en Bruno zijn uit; je krijgt geen thee hier."

„Ik kom je halen," zegt hij, „ga je mee? We drinken thee in den „Rustenden Jager."

— Hij rijdt over Schoorl naar Bergen-binnen. Als gewoonlijk praat hij voortdurend en doet Peggy niets dan luisteren, vandaag verstrooider dan anders.

Haar oogen volgen de wolken, die los en vluchtig langs het hemelblauw ijlen. In het dorp moeten zij langzaam rijden en Peggy's gedachten worden afgeleid door het gedrentel van badgasten langs de kleine winkels. Bij de ruïne van de abdij staan enkele vreemdelingen te kijken.

„Vind je ook niet dat verwondering of bewondering (het is bijna hetzelfde) domme gezichten maakt?" vraagt zij lachend.

„Het is nog dommer je nooit te verwonderen — want dat is een teek en van mediocriteit."

Als zij bij den „Rustenden Jager" aankomen, stapt Peggy het eerste uit en zoekt een tafeltje, achter in den tuin. Eduard komt bij haar ziten. Een jonge linde strooit afwisselend schaduwplekjes en zonnevlekjes over Peggy heen. Haar rechterarm alleen gloeit geheel in de zon.

„Ik wil heelemaal in de zon zitten," zegt zij en schuift haar stoel op, „schaduw krijgt een mensch genoeg in zijn leven."