is toegevoegd aan uw favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Diepe stilte is er nu; maar de stilte van een lentemiddag; vol geritsel, vogelliedjes, windgeruisch.

Peggy slaapt in; er is balsem gelegd op haar pijn.

— Na een poos vaart zij met schrik overeind. Constant ziet haar glimlachend aan. „Slaapt Eric nog?" vraagt zij en buigt zich onder de kap van den kinderwagen. Het jongetje ligt opzij, met een arm om het hoofd. Een zachtroode kleur waast over het anders zoo bleeke gezichtje. „Het doet hem goed in de buitenlucht te zijn."

Hij knikt. „Ik wilde dat hij wat meer groeide. Het maakt mij ongerust, dat hij zoo klein blijft. En Sonja tobt er over, al zegt zij nooit iets."

„Waarom ben je niet met Sonja meegegaan?"

„Naar den kruidenier?" Hij lacht. „Neen; daarenboven vroeg zij 't me niet. Zij gaat veel liever alleen. Zeg, Peggy, jij kent haar nu zoo lang. Vertel me eens — is zij altijd zoo geweest? Zoo eenzelvig? Zoo gesloten voor anderen?"

Peggy denkt er over na. „Ja, ik geloof wel dat zij altijd zoo geweest is. Zij was zichzelve genoeg en zoo actief, dat er niet veel tijd overbleef voor haar gevoelsleven. Ofschoon ze toen, in Italië, wel een vriendinnetje had, waar ze van hield."

„En nu heeft zij Eric," zegt Constant met een korten lach. „Peggy, toen ik haar voor 't eerst gezien heb met dat kind tegen haar borst, heb ik haar oogen, haar mond, haar heele wezen zien stralen en open gaan als