is toegevoegd aan je favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iepen zich tusschen het beeld schuift van de donkere gevels aan den overkant.

Het is een windlooze dag met grijze wolken, waaruit bij tusschenpoozen een zachte regen neervalt.

Zij kijkt naar het water, waar een breede schuit met fel-groen geverfde voorplecht gevuld is met balen en kisten, waartusschen de schipperskinderen spelen.

Het boek waar zij in las, is op den grond gegleden. Haar eerste vreugde weer in Amsterdam te zijn en in haar kamer een sfeer te brengen waarin zij leven kan, heeft langzaam aan plaats gemaakt voor een onrust die haar voortdurend opjaagt. Den heelen morgen heeft zij gewandeld. En als altijd, wanneer zij uitgaat, is zij geëindigd met de straat waar Alfred woont. Langzamer is zij daar gaan loopen en haar oogen hebben de bekende vensters begeerig en helaas ijdellijk afgezocht. Zij heeft hem nog niet teruggezien en niets durven doen om hem te waarschuwen dat zij hier is, in zijn nabijheid. Alleen aan Miriam schreef zij, den eersten dag al, haar verandering van woonplaats. Maar daarop heeft zij nog niets gehoord. Is Miriam dan niet meer bij hem?...

En wat verwacht zij? Dat zij geroepen zal worden? Dat Alfred haar bij zich hebben wil; dat hij haar noodig heeft?! Maar zij weet toch, dat hij leeft voor zijn werk; dat hij haar wegzond uit zijn huis, omdat hij alléén gelukkiger is dan met haar? Waarom zou hij veranderd zijn? Welke krankzinnige inbeelding doet haar dat denken ? Is zij nog niet genezen van haar oude