is toegevoegd aan uw favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heb zoo verlangd 't je te zeggen... ik kon er niet over spreken en nog minder over schrijven. Ach Peggy, ik ben van hem gaan houden en ik heb gehoopt dat hij... Het was zoo moeilijk — en toch, met welk een geluk, met welk een liefde heb ik voor hem gewerkt, hem opgepast toen hij ziek was! Ik kon toen eiken dag bij hem zijn. Maar bereiken kon ik hem nooit — hij was altijd met zijn gedachten ver, wanhopig ver van mij af. Heel dikwijls dacht ik: Misschien houdt hij alleen maar van Peggy. Zij is 't, die den toegang naar zijn hart voor me afsluit. En toen heb ik je ...gehaat! Ik kon niet meer aan je denken; het deed mij te veel pijn. Want mijn vriendschap voor jou, dat oude, diepe gevoel kwam in verzet en wilde je beschermen." Zij buigt zich voorover, met de handen op de knieën en wiegt zich heen en weer, zonder op te kijken: „Peggy, alles deed pijn! ik dacht soms dat ik gek zou worden. Want eiken dag begon de kwelling opnieuw; bij hem te zijn, hem lief te hebben en toch te voelen dat ik hem nooit voor mij zou hebben, nooit!"

Een stroom van woorden, bloedende, schreiende woorden.

Peggy staat eindelijk op.

Zij geeft Miriam wat te drinken. Het is haar ondraaglijk geworden naast haar te blijven zitten. Zij voelt afkeer voor die bijna schaamtelooze biecht en tevens een verscheurend medelijden, ja, een lijden met haar mee!