is toegevoegd aan uw favorieten.

Rood paleis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i en verstorven. Weer dacht ze: overal liever dan in de ijzeren zaal.

Het dwergje opende de deur naar den bijkelder. Het lachte geheimzinnig, want het wist dat het er ditmaal zou zijn. Opzettelijk bleef het voor de vrouw staan, dat ze terug zou kunnen naar de zaal. En dapper stak het zijn fakkel in het zwart.

Er stond geen water in den ronden kelderput, een laag modder. Het was erger dan toen, er was een stank van stille modder, het krioelde van ratten. Ze ijlden naar alle kanten, als ze de trap opwilden verjoeg hij ze vlug met de vlam. Maar wat was daarginds, dat i niet ijlde, dat kroop?

Het meisje had allang geen moed voor den bijkelder meer, hier achter den dwerg was ze redelijk veilig, ze wilde weten wat het was dat bewoog, en ze keek. De dwerg voelde den ! blik langs zijn wang naar de diepte. De i toorts vlamde op, hij hield ze hoog.

Ong estadig ging het licht. Hij zei: • — Een rottenkoning.

Het zwenkte, het zwikte, zijn route was onberekenbaar, het scharrelde terug en vooruit, dwars, schots en scheef. Het had in het ; generaal gepiep een sterker, snerpender toon, een eigen gepiep dat haast jammerde. En het naderde. Dan weer trokken de beesten

m