is toegevoegd aan uw favorieten.

Parade gaat door!

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— een groote loomheid legde zich op zijn leden en hij sliep in. Toen hij ontwaakte zag hij de zon staan recht op den heuvel. Er was meer wind gekomen en de halmen sidderden rond de witte kruisen. Hij dacht aan de sneeuw der Karpathen. Aan Schulz. Er zou daar ergens zulk een onaanzienlijk kruis Ernsts graf aanwijzen. Op den tweeden mobilisatiedag was die zijn kamer komen oploopen. Hij, Willem, lag zijn boeltje te pakken voor Holland. In de geul van de diepe straat waren de kanonnen voorbijgerateld en dreunden de voetstappen der eindelooze regimenten naar de stations. De klokken galmden boven de stad en soms klonk muziek, koper trompetgeschal en flarden van vaderlandsche liederen door het stadsrumoer heen. In het huis werd gelachen en geweend; er werd met deuren geslagen en met koffers gesleept over de trappen. Ernst Schulz stond midden in de kamer, in zijn feldgrau officiersuniform. Zijn teere brilleoogen lagen hulpeloos onder den rand van zijn breeden helm en ze lachten verlegen Willem toe.

— Komme mich verabschieden. Wahrscheinlich sehn wir uns nicht wieder.

Er streek een schaduw over zijn gezicht, maar dan keek hij naar de bloem in zijn knoopsgat, een roode anjer, en streelde die met de zachtheid van een vrouw die haar kind liefkoost. Nooit zou Willem vergeten, hoe Ernst Schulz die bloem had gestreeld. Schulz moest de vraag in zijn oogen gelezen hebben, want het hoofd schuddend had hij dadelijk gezegd:

— Nur so von irgend einem Madel auf der Strasse. Nur so.... En hij had weer zacht gelachen. Hij was niet lang gebleven. Er had een koortsige onrust in zijn blik gegloeid, en terwijl hij in een paar trekken