is toegevoegd aan je favorieten.

Parade gaat door!

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dat spijt mij, jongen.

— Ik geloof niet meer aan wat de geleerden, de diplomaten, de partijleiders, de geschiedkundigen en economen, de heidenen of de christenen en de eenvoudige menschen op de straat gelooven.

Mr. Henri Willem was opgestaan en ging naar zijn zoon, legde de hand op zijn schouder.

— Wacht eens even, beste jongen, ik kan je zoo vlug niet volgen. Maar van die eenvoudige menschen — is dat niet jammer?

— Wat bedoelt u?

— De Heere Jezus zegt: Zalig zijn de eenvoudigen, zij die nederig zijn van geest. Zou niet soms een eenvoudig man of vrouw de dingen beter zien dan een partijleider of een geleerde?

— Vader, ik wil het anders zeggen: ik geloof wèl in het ideaal. Ik geloof in het mijne.

— Ik weet nog niet, of ik mij daarover verheugen kan.

— Ik geloof óók in het uwe en.... en in dat van een econoom, van een geleerde. Van een diplomaat en een partijleider zelfs! Als het werkelijk hun ideaal is; als zij het rechtvaardigen kunnen, er voor instaan, er voor vallen willen. Als zij er niet in gelooven enkel omdat het hun is aangepraat, of hun belangen dient!

Willem stond tegenover zijn vader, die nu ook zijn tweede hand op den schouder van zijn zoon had gelegd. De oogen van de beide mannen raakten elkaar, ze zochten elkaar. In de rimpelige, vale zakken boven de uitstaande jukbeenderen met de roode plekken verhit door de kachelwarmte lagen de grijze oogen van Henri Willem in een rustige aandachtigheid. Hun wit was geel doorschoten, als vochtvlekken op oud papier.