is toegevoegd aan je favorieten.

De verborgen dissonant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch maakte zij den laatsten tijd zichtbaar meer werk van Jules van Straaten. Hoe bezorgd zij zich ook dikwijls om Jean maakte, het was soms niet bij hem uit te houden, zijn zwijgen drukte haar ontzettend, en door zijn kwaal impotent geworden, kon hij haar niet bevredigen ook.

Vrees had zij niet.

Zij gaf hem steeds geld en hij dronk langzaam en veel, whiskey's nu ook vooral, met een smal en ingevallen wit gelaat, de slappe schouders beenig-hoog, in onbeweeglijke houding en angstaanjagend-stil.

Als een schim ging hij soms door het huis.

Eens had hij den godganschelijken dag geen stom woord gezegd, met halfdichtgeknepen oogen was hij geruchtloos door de kamers gegaan, of hij had weer gezeten als zoo dikwijls nu: verstard, lijkbleek met duidelijke lijdenskerven op zijn gelaat tot dicht bij zijn mond.

Hij vreesde blind te worden.

Eindelijk was tante Pots opgesprongen en tegen Leni was zij uitgevaren:

— Ik word krankzinnig van dien vent, het lijkt wel een spook!

— Mot je in den spiegel kijken, zie je nog een spook, had Leni geantwoord.

Ook zelf had zij het toen te benauwd gekregen en was de straat opgegaan, aanvankelijk om even in de lucht te zijn, maar toen zij eenmaal buiten was met haar gedachten, angst en naargeestigheid door en om Jean, was zij als in een vlucht naar Jules gehold.