is toegevoegd aan je favorieten.

De verborgen dissonant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij bleef dien nacht weg.

Tegen half één 's nachts stommelde Hoek binnen.

Hij was langen tijd niet buiten westen geweest, maar nu was hij het goed.

Hij had een paar kameraden van vroeger ontmoet, waarmee hij gewerkt had, gangmakers, en met die Duitschers had hij geklonken op zijn roem, die — hij wist het zelf het beste van iedereen — reeds een beetje aan het tanen was. Godverdomme, hij had zijn besten tijd al achter den rug, al wilde hij het niet weten, wat ging dat vlug, vervloekt vlug!

Toen had hij gedronken op zijn overwinningen, zijn roem! zijn roem!!

Hij sjokte door, totaal beneveld den trap op naar den zolder en opende harrewarrig de deur, waar hij bijna tegen aansloeg.

De houten zolder lag zacht-wit in het maanlicht.

Maar de dronken Hoek stoof vooruit, staarde ontzet omhoog naar de zoldering waar aan een kort, dik koord het verslapte lijf van Jean bengelde, het verlengde, geelwitte doodsgelaat blank van maanlicht.

Hoek voelde zijn oogen puilen.

Kracht doordrong hem.

Hij nikte het lijk van het koord en stond een wijl als versteend, dooden Jean in zijn volle lengte tegen zich aangedrukt, en diens gezicht vlak tegen het zijne.

Hoek huiverde.

Toen wist hij het: ook een doode leeft!