is toegevoegd aan je favorieten.

Uit huis en hof verdreven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den dijk ingeslagen waren, doch op den dijk waren ze juist de tegenovergestelde richting van het huis ingegaan. Wellicht hadden ze het plan om naar de „strengen" te gaan, waar ze 's zomers geloopen hadden. Zeker van den weg liep Koos voort. Onderweg bij een berkenboschje sneed hij zich een stok om straks de dieren aan te kunnen drijven. In de lagere groenlanden liep het slechter, alles was nat en doorweekt, glad en glibberig. De karresporen stonden blank van het water. Het was hier zoo stil en doodsch, dat het wel leek of men alleen op de wereld was: geen vogel, die zich zien liet. Slechts viermaal zag Koos koeien in de weide. De laatste dagen hadden alle boeren hier hun vee weggehaald om ze te stallen of dichter bij huis of om huis nog enkele dagen te weiden, 't Werd hier te nat en te laag. /

Bij hun eigen land vond Koos de dieren echter nog niet. Ze waren verder gegaan. Koos had wel al een uur geloopen; toen hij eerst iets van hen bespeurde, 't Waren de drie jongste pinken, die aan den slootkant liepen te grazen. Nu zouden de anderen ook wel niet ver-af zijn. Eenige honderden meters verder trof hij weer eenige, doch hij moest de melkkoeien nog hebben. De regen drong hem weer door op de armen en de beenen, terwijl ook zijn lichaam weer die koude van beginnende nattigheid voelde, 't Zou niet lang meer duren of overal zou die kille weekheid weer doordringen en stellig zou hij drijfnat zijn, wanneer hij met de beesten thuiskwam. Dat was dan de tweede maal dezen dag.

„Hoe genoeglijk rolt het leven des gerusten landmans heen", zei hij spottend bij zich zelf. Hij zou juist weer in die nare stemming van voor den middag vervallen, toen een geloei tot hem doordrong. Hij liep steviger aan en een eind verder in een perceel, waar het hek openstond, vond hij de rest van hun beesten. Het was hem een kleine moeite ze bij elkaar te drijven, het open hek door en den dijk op naar huis toe. Loopen wilden ze wel; de stok was niet noodig. Koos kon de dieren zelfs moeilijk bijhouden. Af en toe moest hij op een drafje loopen, ofschoon hem dat met zijn natte, zware kleeren niet meeviel. Onderweg sloten zich de andere dieren ook bij de groep aan en toen hij met de kudde bij de drie pinken kwam ha hij alles bij elkaar: 15 stuks groot en klein.

Eensklaps bleven de dieren staan. Eerder dan Koos hadden