is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit huis en hof verdreven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht, doch de meeste menschen hadden reeds hun rust in

den slaap gevonden.

Buiten over de velden hingen zware nevels van mist, welke soms eensklaps verbroken werden door gedeelten, waar men over de velden kon zien. Een haas sprong den weg over, zichtbaar verrast door het licht van Harm's lantaarn. Spoedig verdween het dier in de grauwte van den nacht....

Den volgenden morgen was Harm tijdig terug bij Jan, waar hij ook zijn vader reeds aantrof, die door Jan met de auto gehaald was. Met hun drieën stapten ze in den wagen en reden naar het kantoor van Van Hameren Senior.

Deze was door Jan op de hoogte gebracht, waarom hij zoo vroegtijdig bezoek zou ontvangen en had deswege zijn boekhouder met bodschappen weggestuurd, opdat ze met elkaar ongehinderd konden spreken. Van Hameren deed zich minzaam voor, vooral tegen zijn ongewilden gast, Sloters, doch het gesprek wou niet recht vlotten.

Na eenigen tijd over algemeenheden gesproken te hebben, hakte Van Hameren zelf resoluut den knoop door.

„En wat denk je nu in dit geval te doen, Sloters?" vroeg hij.

„Ja, wat kan ik in deze zaal: doen. Ik bezit niets." „Bijspringen kun je dus niet?", vroeg Van Hameren.

„Voor geen cent; ik heb moeite genoeg dat ik me zelf door dezen tijd heen worstel", was de eerlijke bekentenis van den man, die te trotsch was hulp te vragen.

„Maar dan moet je zoon van de boerderij af, als er anders niet geholpen wordt. Begrijpen jullie dat niet? En de tijd dringt, dus moet er vlug iets op gevonden worden."

Vader en zoon zaten met neergebogen hoofd Van Hameren aan te hooren. Als hij hun niet iets anders had te zeggen, behoefden ze niet hier gekomen te zijn.

„Als je geholpen werd", vroeg Van Hameren aan Harm, „zag je dan kans om je door de moeilijkheden heen te slaan? Dat wil zeggen, dat je dan een volgend jaar niet weer de hulp van iemand anders noodig zou hebben?"

„Eerlijk gezegd.... neen" zei Harm, „de pacht is wel niet buitengewoon hoog, maar in dezen tijd kan er van den bodem absoluut geen pacht af, als er nog een bestaan over zal blijven."